Behar Sinai

In de Bijbel wordt de opdracht gegeven om een zevende jaar en een vijftigste jaar in acht te nemen. In Leviticus 25 wordt het woord Sjmiet� de kwijtschelding in het zevende jaar, niet met name genoemd, wat wel het geval is in Deuteronomium 15:1,2,9 en 31:10. Wel wordt het woord Jow� gebruikt (verzen 10, 11, 12, enz.), dat trompet betekent en hier vrijlating of vrijheid. Met jubelen heeft het minder te maken, maar omdat het Hebreeuwse woord daarop lijkt, wordt het in het Nederlands zo vertaald. Het is een gebod dat in Isra� ritueel wel betekenis heeft, ook wel bij sommigen voor de landbouw om het land te laten liggen – maar niet zozeer in de praktische zin van kwijtschelding van financi�e schulden. Omdat de Eeuwige weet dat mensen trucs gaan uithalen tot voordeel van zichzelf zie vers 14 – wanneer het financi�e bevrijdingsjaar nadert, heeft Hij ook daarvoor grenzen bepaald, zie vers 15 en volgende.

Nu heeft deze instelling van Sjmiet�en Jow� ook een bijzondere betekenis, die de profeet Jeremia heeft ingezien en aan zijn nageslacht heeft doorgegeven. Hij ontving een woord van de Eeuwige dat hij testte op betrouwbaarheid (Jeremia 32:8) en toen uitvoerde (vers 9). Isra� was bezig geheel onder de voet gelopen te worden. En nu had Jeremia een stuk land in eigen bezit. Van dit stuk land is een contract opgesteld, een eigendomsbewijs; in het Hebreeuws een sefer hamikna (vers 11). En met dit bewijs van aankoop gaat Jeremia vervolgens profetisch om, op een volkomen unieke manier. De Eeuwige geeft hem de opdracht, nadat Hij de aankoop heeft bevolen, om het aankoopbewijs in een aarden vat te leggen, volgens het Qumranprincipe, opdat zij lange tijd bewaard blijven. Want zo zegt de Eeuwige van de legermachten, de Gd van Isra�: Er zullen weer huizen, akkers en wijngaarden gekocht worden in dit land (Jeremia 32:14,15).

Wat Jeremia doet op last van de Eeuwige is zijn persoonlijke bezit gebruiken als een profetisch multimediaproject om aan te tonen dat Isra� ooit bevrijd zal worden. En in de verzen 36 t/m 39 zien we de belofte verder uitgewerkt: Maar nu, zo zegt de Eeuwige, de Gd van Isra�, over deze stad, waarvan jullie zeggen: Zij is in de macht van de koning van Babel gegeven door het zwaard, de honger en de pest: Ik verzamel hen uit alle landen, waarheen Ik hen in Mijn toorn en gramschap en grote verbolgenheid verdreven zal hebben en Ik zal hen naar deze plaats terugbrengen en hen veilig laten wonen. Zij zullen Mijn volk zijn en Ik zal hun Gd zijn. Ik zal hun een hart en een weg geven, zodat zij Mij alle dagen respecteren, tot hun eigen voordeel en dat van hun kinderen na hen. Deze belofte gaat verder t/m vers 44.

De uiteindelijke goede afloop van de geschiedenis van Isra� wordt dus alvast gevierd op een Sjmiet�en Jow�jaar. Sjaoel kent deze afloop en jubelt daarover: En op die manier zal geheel Isra� behouden worden, zoals er geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jakob wegnemen (Romeinen 11:26). Interessant in dit verband is dat over de Verlosser ook gesproken wordt in Jeremia, wanneer er staat in vers 39 dat de Eeuwige �n weg zal geven (zie Johannes 14:6).