Besnijdenis en Kolossenzen 2:11-14

Beste redactie,

Het Nieuwe Testament leert toch dat er alleen besnijdenis is van het hart! Lees maar in Kolossenzen 2:11-14, “11 In Hem zijn jullie ook met een besnijdenis, die geen werk van mensenhanden is, besneden door het afleggen van het lichaam des vlezes, in de besnijdenis van de Messias, 12 daar gij met Hem begraven zijt in de doop. In Hem zijt gij ook medeopgewekt door het geloof aan de werking van G’d, die Hem uit de doden heeft opgewekt. 13 Ook jullie heeft Hij, hoewel jullie dood waren door je overtredingen en onbesnedenheid naar het vlees, levend gemaakt met Hem, toen Hij ons al onze overtredingen kwijtschold, 14 door het bewijsstuk uit te wissen, dat door zijn inzettingen tegen ons getuigde en ons bedreigde. En dat heeft Hij weggedaan door het aan het kruis te nagelen.”

Lees ook: Efeze 2, “11 Bedenkt daarom dat gij, die vroeger heidenen waart naar het vlees, en onbesneden genoemd werd door de zogenaamde besnijdenis, die werk van mensenhanden aan het vlees is, 12 dat gij te dien tijde zonder Messias waart, uitgesloten van het burgerrecht van Israël en vreemd aan de verbonden der belofte, zonder hoop en zonder God in de wereld. 13 Maar thans door de Messias Yeshua zijn jullie, die vroeger veraf waren, dichtbij gekomen door het bloed van de Messias.” Hoe gaan jullie daarmee om?

 

Beste vragensteller,

Te beginnen met Efeze, daar staat dat de heidenen vroeger onbesneden waren, met de besnijdenis van mensenhanden. Stel de vraag wat “vroeger” betekent! Want dat houdt een verandering in. Anders zou er staan: jullie niet besneden (hoeven te) zijn. Het gaat om de woorden: “vroeger heidenen waren naar het vlees”, lees: lichaam. In die staat kenden deze niet-Joodse mensen de Messias niet, hadden geen deel aan het burgerrecht van Israël en ook niet aan de verbonden. En daardoor zonder hoop en zonder G’d. Stel de vraag wat de opmerking betekent dat deze mensen onbesneden waren.

Want Paulus had die opmerking kunnen weglaten. Dan was ik ervan overtuigd dat besnijdenis niets te maken zou hebben met die verandering in die niet-Joodse mensen. Maar nu staat het er wel bij. En daarom behoort bij alles wat zijn vroeger gemist hadden, ook de besnijdenis. En is door hun latere besnijdenis hun toetreding tot de verbonden mogelijk geworden. Ze kregen deel aan het offer van de Messias die zegt dat hij niet gekomen is om de Wet (inclusief de besnijdenis) en de Profeten af te schaffen, zie Matteüs 5:17. De Joodse Yeshua heeft de geboden in de Tora vervuld en spoort Zijn volgelingen letterlijk aan dat ook te doen, zie Matteüs 5:19.

En dan Kolossenzen. In vers 11 staat inderdaad dat deze mensen zijn besneden met een besnijdenis niet door mensenhanden. Nu is al vanaf Deuteronomium 30 bekend, dat besnijdenis van lichaam en van hart elkaar niet uitsluiten, maar allebei moeten plaatsvinden, zie vers 6: “De Eeuwige, jullie G’d, zal jullie hart en het hart van jullie nakomelingen besnijden, zodat jullie de Eeuwige, jullie G’d, liefhebben met je hele hart en met je hele ziel, opdat jullie leven.” Dat werd gezegd tegen mensen die lichamelijke besnijdenis toepasten en toepassen. Maar let vervolgens op vers 13: “Ook u heeft Hij, hoewel gij dood waart door uw overtredingen en onbesnedenheid naar het vlees (lees: lichaam).”

Als in Paulus in het Nieuwe Testament besnijdenis zou hebben afgeschaft, hoe kan Paulus dan zeggen dan niet-Joodse mannen dood waren omdat zij niet besneden waren? Had hij alleen gezegd dat ze dood waren, doordat ze niet in de Eeuwige en Zijn Messias geloofden, dat zou ik besnijdenis niet meetellen in zijn betoog. Maar hij noemt dat nu juist wel! Het kan niet zo zijn dat die niet-Joodse mannen ooit dood waren door hun onbesneden zijn, en dan door hun geloof in Yeshua dat niet meer hoeven te veranderen in besneden zijn. Dat zou hetzelfde betekenen als je niet aan de geboden houden van de Tora en dan door je kennis van Yeshua niet aan de geboden van de Tora hoeven te houden.

Paulus noemt ook dat in vers 13! Hij zegt: “Ook jullie heeft Hij, hoewel jullie dood waren door je overtredingen en onbesnedenheid naar het vlees”. Mensen die deel willen uitmaken van de verbonden, waaronder het Nieuwe Verbond, hebben, volgens de profeet Jeremia in hoofdstuk 31:31-33, de Tora in hart (zie ook Hebreeën 8:8-10). Dus nog intenser gaan nieuwtestamentische gelovigen om met de kostbare woorden van G’ds Wet en Instructie.

Lion S. Erwteman