Chanoeka: bevrijdingsherdenking

Regenboog
De bijbelse maand Kislew is de maand, waarin het feest van Chanoeka altijd wordt gevierd. Het is ook de maand waarin de zondvloed voor het eerst stopte. Die was begonnen in de maand Chesjwan. In Kislew straalde toen een schitterende regenboog aan de droge hemel. Noach had toen al de ark verlaten en een altaar gebouwd, waarop hij van alle reine dieren offers bracht. Zo is Kislew een maand van bevrijding geworden, bevrijding van menselijke vijandschap tegen de Eeuwige. Alleen enkelingen, acht mensen, werden niet in dat oordeel aangetast. Dat kwam door hun trouw aan en hun vertrouwen in de Eeuwige.

Zeus in onze Tempel
Eeuwen later was een nieuwe bevrijdingsactie noodzakelijk, om andere vijanden van de Eeuwige te verslaan en Zijn beschermelingen te sparen. Deze bevrijding vond ook plaats in de maand Kislew. De viering van die bevrijding heet: Chanoeka. Tijdens de periode van de tweede Tempel, die door Ezra en Nehemia was herbouwd, vielen de Grieken, onder de gründliche leiding van Antiochus IV, Israël binnen. Deze vijandelijkheden tegen Israël waren al begonnen vanaf de tijd van de antisemiet Alexander – rond 330 vgj – die zich De Grote liet noemen. De Grieken hadden vele absurde wetten uitgevaardigd tegen de Joden. De aan deze en alle vijanden van de Eeuwige aanstoot gevende Joodse godsdienst werd verboden. De studie van de Tora werd verboden en het uitoefenen van de mitswot, de geboden, eveneens (zie 1 Makkabeeën 1:45). Kapitaal werd in beslag genomen, dat bleek niet aanstoot gevend te zijn, evenals hun dochters. De oorspronkelijke naam van deze heerser was Mitradates, wat betekent: gegeven door Mitra, de Indo-Arische naam voor de zonnegod. In 175 vgj besteeg deze gek, daarom ook wel genoemd Antiochus Epimanes, de troon. Tien jaar later plaatste hij een beeld van de Griekse oppergod Zeus in onze Tempel (1 Makkabeeën 1:54).

Moordenaars van het Joodse volk
Het was even later dat zijn soldaten het Heiligdom binnendrongen en het verwoestten. Daarbij verontreinigden ze alles wat ritueel rein was. Velen in Jeroesjalajiem werd op de meest wrede manier gemarteld en vermoord. Zijn gekte groeide uit in een sterke wens om de hele natie Israël te vernietigen. In het jaar 164 vgj ging hij daartoe op weg. Maar tijdens deze opmars stierf hij. De Eeuwige zag het en greep uiteindelijk in. Vele Joden waren toen al overleden, strijders, ouden van dagen, kinderen aan de borst van hun moeders. Alle Torarollen die men kon vinden, werden verscheurd en verbrand (1 Makkabeeën 1:56). Openbare huidafstropingen van Joden hadden plaatsgevonden. Joodse kinderen waren met hun hoofdjes tegen muren geslagen en zo vermoord. Joodse moeders waren met hun zuigelingen om hun hals gebonden van de stadsmuren afgegooid, omdat ze hun kinderen, tegen keizerlijk bevel in, hadden laten besnijden. We lezen: “Zo werden twee vrouwen gevangen genomen die hun kinderen hadden besneden. Met de zuigelingen aan hun borst voerde men ze door de stad, als prooi voor de spot van het volk. Ze werden van de stadsmuur naar beneden gegooid” (2 Makkabeeën 6:10).

Vreemde reclame voor karbonade
Een nog steeds bestaande reden tot spot was het Joodse gebruik om geen varkensvlees te willen eten. We lezen: “Ook zeven broers werden aangehouden, samen met hun moeder. Op bevel van de koning sloeg men ze met stokken en riemen, om ze zo te dwingen het verboden varkensvlees te eten. Een van hen vroeg de koning namens hen allemaal: ‘Wat verlangt u van ons en wat wilt u van ons leren? Wij zijn eerder bereid om te sterven, dan de leer van onze voorvaderen te overtreden.’ Woedend gaf de koning het bevel om pannen en ketels heet te stoken. Zodra die gloeiend waren, liet hij hun woordvoerder de tong afsnijden, de huid van het hoofd afstropen en zijn handen en voeten afhakken voor de ogen van zijn broers en zijn moeder. Toen liet hij hem, geheel verminkt maar nog levend, naar het vuur brengen en in de pan braden. Terwijl de walm uit de pan zich ver verspreidde, moedigden de overige broers en hun moeder elkaar aan om heldhaftig te sterven. Ze zeiden: ‘G’d de Eeuwige kijkt naar ons. Hij zal zich zeker over ons ontfermen, zoals Mosjee het verklaard heeft in het lied waarin hij openlijk getuigt: “Hij zal zich over zijn dienaren ontfermen.”’ Nadat de eerste zo gestorven was, ging men de tweede folteren” (zie 2 Makkabeeën 7:1-42). Zoveel haat om een karbonaadje? Of speelt er meer?

Heilige aanraking van de Eeuwige
De haat tegen Israël, tegen de Joodse gebruiken en tegen de G’d van Israël bestaat nog steeds. De minst agressieve vorm daarvan is de betiteling: wettisch, om aan te geven dat het zich houden aan de geboden van het “Oude Testament” verkeerd is. Messiasbelijdende Joden worden ervan beticht onvolwassen te zijn, wanneer ze “ijveraars zijn voor de wet” (zie Handelingen 21:20), “zo onvolwassen als de Joden die Yeshua niet kennen”, zo vernam ik tot mijn schrik tijdens een studiedag van kerkleiders uit de mond van bekende leiders van christelijke organisaties voor Israël. Wat is er aan de hand? Wanneer de Geest van de Eeuwige mensen werkelijk aanraakt, ontstaat het heilige verlangen om rein te worden voor de Eeuwige. Eigen zondigheid wordt zichtbaar en het zo noodzakelijke reinigingsproces vangt aan. Daarbij groeit het verlangen om de geboden van de Eeuwige te gaan volgen, zoals we dit hebben gezien bij koning Josia, die als Jood niet was opgegroeid met de Wet (de Tora), maar die hartelijk ging liefhebben (lees 2 Koningen 22). Ook Sja’oel (Paulus) had de Wet lief (Romeinen 7:12, 14; 1 Korinte 7:19). Yeshua zegt dat we Hem liefhebben, wanneer we de geboden houden (Johannes 14:21). In zijn eerste brief noemt Johannes mensen die de geboden niet houden, leugenaars (1 Johannes 2:3-4). De bijbelse opdracht is dus om ons uit te strekken naar die heilige aanraking van de Eeuwige, die ons dwingt tot reiniging, heiliging en het doen van de geboden als basis daarvoor.

Chanoeka: overwinning over de duisternis
Chanoeka heeft met deze zaken alles te maken. Er is een grote strijd gaande om de Tora, de geboden van de Eeuwige. Het afschaffen daarvan, al dan niet gepaard gaande met de verbranding van heilige geschriften, zoals we dat tijdens de laatste wereldoorlog moesten ondergaan, is godslasterlijk. Wat we nodig hebben is de olie van boven, de zalving met de Geest van de Eeuwige. Op Chanoeka vieren we dat uiteindelijk de Tempeldienst werd hersteld en dat er weer reine olie kon worden gebruikt voor het branden van het Ner Tamied, het eeuwige licht van de Tempelkandelaar. Dat is het teken van de aanwezige Geest van de Eeuwige die de interface vormt, de verbinding met G’ds wijsheid, waardoor we de geboden geestelijk leren beoordelen. “Een ongeestelijk mens echter neemt niet aan wat van de Geest van de Eeuwige is. Zo iemand noemt dat dwaasheid. Die kan dat niet begrijpen, omdat het alleen met behulp van G’ds Geest te onderscheiden is”(1 Korinte 2:14). Acht dagen gaan we lichten aansteken, om onze overwinning te vieren over de duisternis.

Lion S. Erwteman