De Eerste Gelovigen in Yeshua en de Tempel in Jeruzalem

Inleiding
Het is opmerkelijk dat de eerste gebeurtenissen die beschreven worden in de Handelingen van de Uitgezonden Leiders (Apostelen), na het verslag van de gebeurtenissen op Pinksteren, plaatsvinden bij de ingang van de Tempel in Jeroesjalajiem (Jeruzalem). Het lijkt mij dat Lucas de gebeurtenissen niet vertelt in de toevallige volgorde als waarin hij deze van zijn bronnen heeft ontvangen. Wanneer je op zoek gaat naar de plaats, die de Tempel van Jeroesjalajiem in het leven van de eerste gelovigen inneemt en in het bijzonder zoals dit geschetst wordt in het boek Handelingen, dan wordt het direct duidelijk dat de Tempel in Jeroesjalajiem een belangrijke plaats innam, in ieder geval in de gedachten van de schrijver van de Handelingen van de Uitgezonden Leiders. Hierna volgt een lijst met de verhalen en teksten uit de Handelingen van de Uitgezonden Leiders waarin de Tempel voorkomt, voorzien van enige opmerkingen over de teksten en hun context. Nadat de teksten behandeld zijn, moet ik in staat zijn enige opmerkingen en enige beschouwingen te geven, die ook voor onze tijd van toepassing zijn.

Handelingen 2:46, "En voortdurend waren zij elke dag eensgezind in de Tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijd met blijdschap en eenvoud van hart . . ."

Meteen na zijn verslag van de gebeurtenissen op het Wekenfeest (Pinksteren) maakt de schrijver van de Handelingen deze verbazingwekkende opmerking: de volgelingen van Yeshua waren "voortdurend – elke dag – in de Tempel". Het woord, dat bij mij vragen oproept is het woord "voortdurend". Was de Tempel in Jeruzalem de gebruikelijke plaats van samenkomst voor de volgelingen van Yeshua de Messias? Geldt dit "voortdurend" alleen voor de gebeurtenissen na die Pinksterdag of mogen we zeggen, dat het ook vóór die Pinksterdag de gewoonte was van de volgelingen van Yeshua om naar de Tempel te gaan om te bidden? Heeft er een bepaalde gebeurtenis plaatsgevonden waardoor de volgelingen van Yeshua de Tempel hebben gemaakt tot hun gebruikelijke plaats van "samenkomst"? En als dat zo is, waarom dan wel? Ik doe de suggestie dat de volgelingen van Yeshua net zo waren als de rest van Israël en dat ze, net zoals Yeshua zelf, Joden waren die naar de Tempel gingen en aanbaden in de Tempel. Yeshua gaf een ereplaats aan de Tempel in Jeroesjalajiem en noemde deze: "Het huis van mijn Vader". (voetnoot 1)

Handelingen 3:1-2, "Petrus nu en Johannes gingen op naar de Tempel tegen het uur van het avondgebed, het negende. 2 En zij plaatsten een man, die verlamd was van zijn geboorte af, zodat hij gedragen moest worden, dagelijks bij de poort van de Tempel, met de naam de Schone, om een aalmoes te vragen van de tempelgangers."

In dit vers zien wij, net als in hoofdstuk 2:46, twee van de volgelingen van Yeshua opgaan naar de Tempel tegen de tijd van het gebed. Er waren in de Tempel in Jeroesjalajiem tijdens de eerste eeuw van de gangbare jaartelling twee gebedstijden, het ochtendgebed en het middaggebed. Het middaggebed heette het "Mincha". Het was voor het "Mincha" dat Petrus en Johannes naar de Tempel gingen om te bidden. Een van de meest dwaze argumenten, die ik ooit uit de mond van Christenen heb gehoord, is dat Kefa (Petrus) en Jochanan (Johannes) en Sja‘oel (Paulus) niet naar de Tempel en de synagogen gingen om te bidden, maar dat ze ”op jacht waren naar zielen”. Er is niets dat meer ingaat tegen de geest van het Goede Nieuws en evangelisatie, dan om aan te nemen dat Petrus, Johannes en Paulus alleen maar naar deze plaatsen toegingen om te jagen op zielen, en niet om in alle oprechtheid en waarheid te bidden tot de G‘d van Israël. We zullen verderop zelfs zien dat Paulus ook aan het einde van zijn ‘carriëre‘, nadat hij aan vele heidenen en Joden het evangelie heeft verkondigd, nog steeds naar de Tempel in Jeroesjalajiem gaat om ‘offeranden‘ te brengen en ‘aalmoezen voor mijn volk‘. Petrus en Johannes treffen de verlamde man aan bij de Schone Poort, die naar de Tempel leidt. Ze genezen deze lamme man, wiens naam verder niet genoemd wordt, in de naam van Yeshua de Messias. (voetnoot 2)

Handelingen 4:1, "En terwijl zij tegen het volk aan het spreken waren, overvielen de priesters, de hoofdman van de Tempel en de Sadducee�n hen."

In deze episode zien we dat Petrus en Johannes weer "tegen het volk spraken" in de Tempel. Dit was direct in aansluiting op de genezing van de lamme man bij de Schone Poort. De mensen van Jeroesjalajiem konden de dingen, die in de voorhoven van de Tempel gebeurden, niet geheim houden en al spoedig kwam de tempelwacht om Petrus en Johannes te arresteren en hen te beletten, om in het openbaar tot de mensen te spreken over de opstanding van Yeshua. Het is opmerkelijk om al lezend in de tekst van Handelingen te zien dat Petrus en Johannes, zelfs de dag nadat ze op een bovennatuurlijke wijze uit de gevangenis bevrijd waren, al weer terugkeerden naar de voorhoven van de Tempel. De voorhoven van de Tempel waren de plaats van samenkomst en aanbidding. Let eens goed op de volgende verzen uit Handelingen hoofdstuk vijf.

Handelingen 5:20-21, 24-25, "Ga in de Tempel staan en spreek tegen het volk al deze leven verwekkende woorden. 21 En zij gehoorzaamden en gingen tegen de ochtend de Tempel binnen en gaven onderwijs. Toen de hogepriester was aangekomen en degenen die bij hem waren, riepen zij de Raad bijeen, de hele vergadering van de kinderen van Israël. Zij zonden dienaren naar de gevangenis om hen te laten voorkomen. . . 24 Toen het hoofd van de Tempel en de hogepriesters deze woorden hoorden, waren zij in verlegenheid over de vraag, wat daaruit voort zou komen. 25 Maar er kwam iemand tot hen met het bericht: De mannen, die u gevangen heeft gezet, staan in de Tempel en zij onderwijzen het volk."

In hoofdstuk 3 gingen Petrus en Johannes op naar de Tempel in Jeroesjalajiem om het ‘Mincha‘ te bidden. Door de kracht van G‘d gebeurde toen het wonder aan de lamme man. In dit hoofdstuk wordt ons verteld, dat een engel van Adonai hen opdraagt om naar de voorhoven van de Tempel te gaan, om daar aan de mensen de volle boodschap van het nieuwe leven te verkondigen. Dit wordt hen opgedragen, nadat ze gearresteerd zijn en een waarschuwing hebben ontvangen om niet meer te spreken over Yeshua en Zijn opstanding uit de dood. De voorhoven van de Tempel waren de plaats waar zij normaliter bijeenkwamen voor het gebed en om de mensen te bedienen vanuit de kracht van G‘d (voetnoot 3). De vasthoudendheid van Petrus en de apostelen was niet slechts een moedig en volhardend vasthouden aan hun doel. De apostelen waren zich bewust van hun zending tot hun eigen volk. Zij beseften dat de boodschap van "redding" in die tijd de allerbelangrijkste zaak was waaraan Israël, hun eigen vlees en bloed, op dat moment behoefte had. Hun oprechtheid was onbetwijfeld en hun verkondiging was niet voor niets. Net als alle Joden gingen zij in de eerste plaats naar de Tempel om te bidden en in de tweede plaats om op zoveel mogelijk plekken onderricht te kunnen geven over het Goede Nieuws dat Yeshua de Messias is (voetnoot 4).

Handelingen 21:26-29, ”26 Toen nam Paulus die mannen mee en hij heiligde zich de volgende dag met hen, ging de Tempel binnen en liet zich registeren: dat de dagen van de heiliging zouden duren, totdat voor ieder van hun het dierenoffer gebracht was. 27 Toen nu de zeven dagen bijna om waren, zagen de Joden uit Klein-Azië hem in de Tempel. Zij brachten het hele volk in opschudding en zij pakten hem vast met hun handen. 28 Zij schreeuwden: Help, mannen van Israël! Dit is de man, die tegen het volk, de wet en deze plaats in, overal alle mensen onderwijst. En nu heeft hij ook nog Grieken in de Tempel gebracht en deze heilige plaats ontwijd! 29 Want zij hadden al eerder Trofimus uit Efeze met hem in de stad gezien, en zij verkeerden in de veronderstelling, dat Paulus hem in de Tempel had gebracht.”

De episode van Paulus in de Tempel in Jeroesjalajiem in het boek Handelingen beslaat meer dan een derde van het hele boek qua inhoud. Waarschijnlijk is dit ��n van de redenen waarom Lucas de Handelingen van de Uitgezonden Leiders geschreven heeft. Om deze gebeurtenissen beter te kunnen begrijpen, moeten wij ze in hun perspectief, in hun werkelijke verbanden zien. In Handelingen hoofdstuk 15 vinden wij het verslag van de vergadering, die Paulus en de leiders van de gemeenschap van de gelovigen in Jeroesjalajiem hielden, om de kwestie te bespreken van de besnijdenis voor de heidenen die zich tot G�d bekeerden. De uitkomst van deze discussie was het compromis, dat de heidenen toegelaten werden tot het �lichaam van de Messias� of �de gemeenschap van de heiligen� zonder dat ze gedwongen waren om Joods te worden (zich volledig te bekeren tot het Juda�sme) en zich te laten besnijden als gebod om behouden te worden. � Paulus en Barnabas namen de brief van de apostelen in Jeroesjalajiem mee naar de geloofsgemeenschappen in Klein-Azi� en berichtten de gemeenschappen aldaar, dat de heidenen welkom waren om binnen te treden in de gemeenschap van de heiligen, zonder dat van hen de besnijdenis ge�ist werd tot behoudenis. Op grond van deze brief zamelde Paulus ook onder de gemeenschappen van de gelovigen, uit de heidenen in Klein-Azi� en Griekenland, fondsen in voor de �heiligen in Jeroesjalajiem�. Daarna werd het zijn voornaamste inspanning, om deze giften van barmhartigheid naar Jeroesjalajiem te brengen v��r het Wekenfeest (Pinksteren, Lev.23:16; Deut.16: 9, 10, 16, 17; voetnoot 7), omdat dit het feest is van zowel de eerstelingen alsmede van het ontvangen van de Tora. Het is tijdens deze gelegenheid dat de oudsten van de gemeenschap van de gelovigen in Jeroesjalajiem Paulus, wanneer zij hem bij zijn entree in de stad ontmoeten, op de volgende wijze vol trots aanspreken:

19 En toen hij hen begroet had, verhaalde hij in bijzonderheden, wat G�d onder de heidenen door zijn dienst had verricht. 20 En zij loofden G�d, toen zij dit hoorden, en zeiden tegen hem: Jij ziet, broeder, hoevele tienduizenden er onder de Joden gelovig zijn geworden en allen zijn zij ijverig voor de Tora; 21 nu heeft men hun van u verteld, dat jij alle Joden onder de heidenen afval van Mozes leert, door te zeggen, dat zij hun kinderen niet hoeven te besnijden, noch naar de gebruiken te leven. 22 Wat is het geval? Zij zullen beslist horen, dat jij hier bent aangekomen. 23 Doe daarom wat wij je zeggen: Er zijn vier mannen bij ons, die een gelofte op zich genomen hebben; 24 Neem hen mee, heilig je samen met hen en draag de kosten voor hen, opdat zij hun hoofd kunnen laten scheren. Dan zullen zij allemaal merken, dat van alles, wat men hun over jou heeft verteld, niets waar is, maar dat jij ook zelf meegaat in de onderhouding van de Tora. (Handelingen 21:19-24 NBG)

Paulus vertelde aan de oudsten van Jeroesjalajiem "wat G�d onder de heidenen door zijn dienst had verricht". De oudsten van Jerusalem vertellen hem eerst over de gemeenschap van de gelovigen in Jeroesjalajiem "hoevele duizenden er onder de Joden gelovig zijn geworden en allen zijn zij ijveraars voor de wet". Naar mijn mening vertellen zij dit aan Paulus, om hun volgende stap ten tonele te kunnen voeren, nl. hem confronteren met de geruchten "dat gij alle Joden onder de heidenen afval van Mozes leert, door te zeggen, dat zij hun kinderen niet hoeven te besnijden, noch naar de (onze) gebruiken te leven". Om deze geruchten te ontzenuwen stelt Ja�acov (Jakobus in de Nederlandse Bijbels) voor: "Neem deze mannen mee, onderga samen met hen de reinigingsriten en betaal hun kosten, zodat hun hoofd geschoren kan worden. Dan zal iedereen weten dat deze geruchten over jou niet waar zijn, maar dat je zelf een leven leidt in gehoorzaamheid aan de wet". Uit dit voorstel van de oudsten van de gemeenschap van Jeroesjalajiem, kunnen we zowel iets vernemen over hun praktijken als over de houding van de gelovigen van Jeroesjalajiem tegenover de Tempel te Jeroesjalajiem. Hier volgen enkele commentaren vanuit de tekst:

De oudsten van de gemeenschap van de gelovigen waren bang voor een negatieve reactie van de gemeenschap te Jeroesjalajiem op de geruchten, dat Paulus aan Joden leerde om hun zonen niet te besnijden en de wet van Mozes niet ernstig te nemen.

De gemeenschap van de gelovigen in Jeroesjalajiem zag het gaan naar de Tempel en de deelname aan de "reinigingsgeloften" als een test van "trouw" en "orthodoxie" van het geloof in Yeshua. Met andere woorden, als Paulus naar de Tempel zou gaan en zou betalen voor de "reinigingsgeloften" van deze vier mannen, dan zou dat voor de gemeenschap van Jeroesjalajiem een bewijs zijn waarmee de geruchten dat hij Joden leerde ongehoorzaam te zijn aan de wet van Mozes, geheel ontkracht werden. De eerste gemeenschap in Jeroesjalajiem beschouwde de deelname aan de tempelriten als een gezaghebbende stap voor de authenticiteit, de echtheid van hun geloof in G�d en in Zijn Messias. Zij bleven de Tempel bezoeken en namen deel aan de normatieve Joodse praktijken, zoals de rest van Isra�l dat in die tijd deed.

Paulus stemde uiteraard in met het verzoek van Ja�acov en de oudsten van Jeroesjalajiem. Hij nam de vier mannen mee naar de Tempel, betaalde voor hun �reinigingsriten� en vervulde ook wat nodig was om vrijgezet te worden van de belofte, die hij in Kenchree�n op zich genomen had (voetnoot 5). Dat Paulus instemde met het verzoek van Ja�acov betekent niet dat hij op dit punt zwak was in zijn geloof, zoals bepaalde christelijke commentatoren beweren. Het is een teken van de toewijding die Paulus had aan de Tempel en aan de Joodse geloofsnormen als genoemd in de Tora. Na deze gelegenheid roept Paulus een aantal keer dezelfde bewering uit: "Ik geloof alles, dat in overeenstemming is met de Tora en alles dat geschreven is in de profeten". (voetnoot 6). De Tempel speelde een centrale rol in het Joodse gebeds- en gemeenschapsleven. Wij horen al in de eerste verhalen van het evangelie dat Josef en Maria Yeshua aan het eind van zijn twaalfde jaar naar de Tempel in Jeroesjalajiem brengen voor Zijn "bar-mitswa" (zoon der Wet). Wij horen dat Yeshua iedere keer wanneer Hij in Jeroesjalajiem was de Tempel bezocht. Wij horen dat Yeshua de Tempel �mijns Vaders huis� noemt.

Er waren in de eerste eeuw in het Juda�sme secten zoals de Essenen, die een heel negatieve houding hadden jegens de Tempel in Jeroesjalajiem en die de Tempel en de priesters beschouwden als slecht en verontreinigd. Dat is echter niet een houding, die wij terugvinden in het Nieuwe Testament en zeker niet in het boek Handelingen. De apostelen van Yeshua gaan naar de Tempel, dragen offers op en geven �aalmoezen� in de Tempel. Minstens ��n van de redenen voor Paulus om een speciale reis te maken naar Jeroesjalajiem voor Sjavoeot (het Wekenfeest; Pinksteren) is dat hij daarmee het gebod vervult om minstens ��n keer per jaar een pelgrimstocht te maken naar Jeroesjalajiem voor dit feest (voetnoot 7). Dit vinden we glashelder terug in zijn verdediging, die opgetekend staat in Handelingen 24:14-18: �Maar dit erken ik voor u, dat ik naar die weg, die zij een secte noemen, inderdaad de G�d der vaderen vereer, gelovende al hetgeen in de wet en in de profeten geschreven staat, 15 terwijl ik van G�d hoop, gelijk ook dezen zelf het verwachten, dat er een opstanding van rechtvaardigen en onrechtvaadigen zal zijn. 16 En hierin oefen ik mijzelf, altijd een onergerlijk geweten te hebben voor G�d en de mensen. 17 En na verloop van vele jaren ben ik gekomen om aalmoezen voor mijn volk te brengen en offers, (voetnoot 8). 18. waarmee men mij, geheiligd zijnde, in de Tempel bezig vond, zonder volksoploop of opschudding".

Handelingen 22:17-19, "En het overkwam mij, toen ik te Jeroesjalajiem was teruggekeerd en in de Tempel aanbad, dat ik in zinsverrukking geraakte, 18 en dat ik Hem zag, die tegen mij zei: Haast je en vertrek spoedig uit Jeroesjalajiem, want zij zullen van jou geen getuigenis over Mij aannemen. 19 En ik zei: Eeuwige, zij weten zelf, dat ik het was, die hen, die in U geloofden, liet gevangen zetten en geselen in de synagogen".

Deze verzen beschrijven de verdediging van Paulus als hij voor de menigte staat, die zich verzameld heeft in de buitenste voorhof van de Tempel in Jeroesjalajiem. Paulus staat op de trap die leidt naar de burcht Antonia, nadat een Romeinse officier naar beneden gerend was om hem te redden uit de handen van de woedende menigte, die op het punt stond hem te vermoorden (voetnoot 9). Zij geloofden dat hij heidenen had meegenomen naar het gebied van de Tempel, dat alleen bestemd is voor de Joden. In zijn verdedigingsrede verwijst Paulus naar zijn terugkeer naar Jeroesjalajiem na zijn ervaring op de weg naar Damascus. Hij vertelt de menigte dat hij, terwijl hij in de Tempel in gebed was, in zinsverrukking geraakte en G�d (�Here� betekent op deze plaats de �Heilige Naam van G�d�) hoorde zeggen dat hij direct weg moest gaan uit Jeroesjalajiem. Voor Paulus was de Tempel nog steeds de plaats waar je heengaat om te bidden tot G�d. Het is zelfs zo, dat deze zinsverrukking, dit visioen van G�d dat Paulus in de Tempel ontving, een getuigenis vormt voor de authenticiteit en de aanvaarding van zijn ervaring met Yeshua op de weg naar Damascus. De Tempel in Jeroesjalajiem is de plaats waar men nog steeds G�d ontmoet en met Hem communiceert, zoals de profeten dit van oudsher gedaan hebben. Dit is een belangrijke opmerking, die we ons moeten herinneren wanneer we aan het eind van dit artikel gekomen zijn.

Handelingen 25:8, "Terwijl Paulus zich op die manier verdedigde: Ik heb noch tegen de Tora van de Joden noch tegen de Tempel, noch tegen de keizer iets misdreven."

In zijn verdediging voor Festus de Romeinse gouverneur, in Caesarea bij de zee, herhaalt Paulus hetzelfde refrein dat hij ook uitgesproken heeft voor het Sanhedrin in Jeroesjalajiem. In Handelingen 24:14, " gelovende al hetgeen in de wet en in de profeten geschreven staat. . ." In Handelingen 28:17, "Mannen broeders, ofschoon ik niets gedaan heb tegen ons volk of de voorvaderlijke gewoontes. . ." In onze tekst zien we, dat Paulus nog specifieker zegt dat hij niets misdreven heeft tegen de wet der Joden noch tegen de Tempel. Met andere woorden, Paulus zegt dat zijn houding en zijn gedrag tegenover de Tempel steeds zijn geweest volgens de wet van Mozes en het respect dat hij verschuldigd is aan het �huis van Adonai�. Het is interessant op te merken dat Paulus hier niet de term �wet van Mozes� gebruikt. Hij gebruikt de term �de wet der Joden�, die van karakter veel algemener is en die door Festus, als Romein, beter begrepen kon worden, maar die tegelijkertijd ook de gewoontes en wetten zal hebben omvat die horen tot de Joodse traditie, maar geen onderdeel uitmaken van de geschreven wet van Mozes. In de tekst die boven geciteerd is uit Handelingen 28:17, zegt Paulus: �ofschoon ik niets gedaan heb tegen ons volk of de voorvaderlijke gewoontes. . .� Hiermee verwijst hij naar mijn mening naar de mondelinge wet van het Joodse volk. Er zou voor de Joodse leiders, die onder het gehoor bij Festus aanwezig waren, niets makkelijker geweest zijn dan om aan te geven waarin Paulus de wet van Mozes had overtreden of iets had gedaan dat tegen de �traditie� of �gewoontes� van het Joodse volk was ingegaan, indien dat zo was geweest. De tekst geeft echter op geen enkele wijze aan dat de leiders van het Joodse volk enig nieuw bewijs of feit hebben aangedragen waardoor het opsluiten van Paulus gerechtvaardigd was. Paulus had in feite niets tegen de Tempel gedaan.

Samenvatting en conclusies:

Wij hebben de belangrijkste teksten in de Handelingen van de Uitgezonden Leiders, die te maken hebben met de Tempel in Jeroesjalajiem en de gebeurtenissen die binnen het tempelgebied hebben plaatsgevonden, behandeld en nauwkeurig onderzocht. Wij worden geacht in staat te zijn waarnemingen en conclusies te verbinden aan dat getuigenis:

1. De gemeenschap van de gelovigen te Jeroesjalajiem in de eerste eeuw beschouwde de Tempel nog steeds als de centrale plaats voor de aanbidding en de dienst aan G�d. De apostelen bezochten de Tempel op een regelmatige, �dagelijkse� basis voor het gebed en voor de diensten. Zij namen gewoon deel aan de praktijken die voor alle Joden normatief waren, met inbegrip van �de offers� en het geven van tsedaka (aalmoezen).

2. De apostelen inclusief Paulus hielden zich niet afgezonderd van de normatieve praktijken en diensten in de Tempel. Pas toen de �heidenen� in beeld kwamen, en Paulus er valselijk van beschuldigd werd �heidenen� in de Tempel gebracht te hebben, ontstonden de problemen.

3. Paulus, en naar ik aanneem ook de andere leiders van de vroege geloofsgemeenschap, hielden zich niet alleen vol respect aan de wetten van de Tora, maar hielden zich ook aan iedere traditie en praktijk die alle �normbepalende� stromingen van het Juda�sme met betrekking tot de Tempel hielden. Dat is dan inclusief de specifieke praktijk van het afleggen van een eed en de wijze waarop men daarvan vrij gezet kon worden door dankoffers te brengen en een rituele reiniging te ondergaan.

4. De vroege geloofsgemeenschap zag geen enkel conflict tussen de geldigheid van het offer van Yeshua en en het bestaan van de Tempel met de aanbidding die daar plaatsvond. Het offer van Yeshua moet beschouwd zijn als de voltooiing of de vervulling van het offersysteem van de Tempel, maar niet als de ontbinding of opheffing daarvan (voetnoot 10).

5. Tot op een bepaald ogenblik moet de vroege geloofsgemeenschap het tempelgebied tot de plaats gemaakt hebben om regelmatig bijeen te komen. We vernemen dit uit Handelingen 2:46, " En voortdurend waren zij elke dag eendrachtig in de Tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijd met blijdschap en eenvoud des harten . . .�. Er kunnen verschillende redenen geweest zijn voor de keuze om hier samen te komen, maar wat de redenen ook geweest moge zijn, we moeten constateren dat dit wel hun keuze was. Uit deze tekst moeten wij toch concluderen dat op zijn minst de vroege geloofsgemeenschap in Jeroesjalajiem er geen ernstige belemmeringen in zag, om samen te komen in de voorhoven van de Tempel en het waarschijnlijk als uiterst zuiver ervaren heeft dit te doen. Wanneer ze daar samen kwamen voor aanbidding en studie, zal er niet veel ruimte geweest zijn voor een afgezonderde bijeenkomst en al hun diensten, onderricht en als u wilt hun gezang, moet dan ook acceptabel geweest zijn voor de bevolking, de gewone man van Jerusalem. In feite denk ik, dat een van de redenen waarom de voorhoven van de Tempel een voorkeursplaats waren van de vroege geloofsgemeenschap voor hun samenkomsten, juist ligt in het open getuigenis dat hun diensten en gedrag vormden voor de voorbijgangers.

Laten we nu het verband en de gevolgen bestuderen die de situatie van de eerste eeuw heeft voor de Messiaanse Joden van heden:

1. Er is geen Tempel in Jerusalem en het ziet er niet veelbelovend uit dat er in de nabije toekomst een Tempel zal zijn voor de Joden op de berg Moria. De Joden erkennen dat de Tempel van ons door G-d is weggenomen vanwege onze overtredingen. Er zijn enkele kleine splintergroepen, die luid roepen dat ze de tempelberg op willen om daar te bidden en die een verlangen ten toon spreiden om de Tempel te herbouwen. De staat Isra�l heeft voortdurend iedere provocatie op dit gebied verboden. De omvang van de activiteiten van kleine en extreme groepen was om te demonstreren bij de toegangen naar de tempelberg en om modellen te maken van sommige van de tempelinstrumenten en van voorwerpen van aanbidding uit vroeger tijden. Tot mijn schaamte moet ik zeggen dat er christelijke groeperingen zijn met een ongebreidelde, eschatologische leer, die ernaar verlangen dat de Joden de Tempel herbouwen, opdat de anti-Christ sneller zal komen waardoor Yeshua gedwongen wordt sneller terug te keren naar Jeroesjalajiem. Deze christelijke groeperingen verlenen aan ten minste ��n van deze groepen van �tempelgetrouwen� aanzienlijke, financieel steun, ondanks het feit dat hun leider voortdurend Yeshua de Messias belastert en de Joodse volgelingen van de Messias vijandig gezind is.

2. De meeste Messiaanse Joden en degenen, die zich Messiaanse Jood noemen in Isra�l, hebben een ambivalente houding jegens het Juda�sme in het algemeen en meer specifiek jegens de Tempel. Er is weinig onderricht over dit onderwerp in Isra�l, noch in Christelijke kringen noch in Messiasbelijdende Joodse kringen. Enerzijds houden de meeste �gelovigen� vast aan het onderricht uit de brief aan de Hebree�n waar over Yeshua duidelijk wordt gezegd in Hebree�n 7:27: "� die niet, gelijk de hogepriesters, van dag tot dag eerst offers voor zijn eigen zonden behoeft te brengen en daarna voor die van het volk, want dit laatste heeft Hij eens voor altijd gedaan, toen Hij Zichzelf ten offer bracht�. Anderzijds blijft de sterke verwachting in leven onder sommigen uit het Joodse volk naar een volledig herstel van geheel het land en naar de aanbidding van G�d in de Tempel te Jeroesjalajiem en laat dit een echo na in de ziel van velen. Bij sommige christenen, die neigen naar een meer letterlijke uitleg van de profetische teksten in Zacharia, bestaat de tendens om te verlangen naar een herstel van de Tempel.

3. De belangrijkste les die ik leer uit de bestudering van de teksten in de Handelingen van de Uitgezonden Leiders over hun houding jegens de Tempel is, dat de band met hun Joodse erfenis en leefstijl doorgaat en ze de Tora blijven houden. Er is niets in het Nieuwe Testament, dat erop duidt dat een van de apostelen, inclusief Paulus, ook maar enigszins afweek van de trouw aan de Tora. Zij bleven allemaal trouw aan hun Joodse leefstijl en aan hun geloof, dat in Yeshua de wet van Mozes en de profeten van Isra�l zijn vervuld en gerechtvaardigd. Zij waren er zeker van dat hun geloof, dat Yeshua de Messias is, niet in tegenspraak was met de openbaring van G�d aan Isra�l. Om die reden beschouwden ze het opgaan naar de Tempel om daar te aanbidden, niet als een breuk tussen hun relatie met het ware geloof van Isra�l en de boodschap van Yeshua voor de wereld.

4. Ik durf niet voorspellen wat er zal gaan gebeuren in Jeroesjalajiem met betrekking tot de herbouw van de Tempel. Mijn persoonlijke visie ligt dicht bij die van Maimonides, die leefde in de 11e eeuw van de gangbare jaartelling. Ik heb geen Tempel nodig, om de G�d van mijn vaderen te aanbidden en om lof te geven aan Yeshua de Messias. Ik kan hem aanbidden in geest en waarheid in Jeroesjalajiem, maar net zo goed onder een jojoboom in Afrika. Maar als er een Tempel was in Jeroesjalajiem, een Tempel die �kosjer� was volgens de richtlijnen van G�d in de Tora van Mozes, en een waarachtig priesterschap, dan zou ik niet aarzelen op te gaan naar het �huis van Adonai� om te doen wat Paulus, Petrus en Johannes deden in de eerste eeuw, voordat de Tempel verwoest was.
Het zou voor mij als Jood, die met heel zijn hart gelooft dat Yeshua de Messias is, aanmatigend zijn om te zeggen wat er werkelijk zal gaan gebeuren. In de ogen van mijn vlees lijkt het niet wenselijk om een dood systeem te herstellen, of om te denken dat G�d in onze tijd nog zou verlangen om de geur van verbrand vlees in Zijn neus te krijgen.
Diegenen onder ons, die toegewijd zijn aan het herstel van de geloofsgemeenschap van de eerste eeuw, de geloofsgemeenschap van het Nieuwe Testament, of die gewoon trouw willen zijn aan het Woord van de waarheid van G�d, moeten zich vasthouden aan de feiten die het Nieuwe Testament ons vertelt. Wij mogen onszelf niet toestaan om omheiningen te bouwen rond het Woord van G�d die ons hele idee van herstel tot een farce maken. Wij moeten ervoor open staan dat wij in alle dingen willen zijn als de geloofsgemeenschap van de eerste eeuw, zoals deze beschreven is in het hele Nieuwe Testament en in het bijzonder in het boek Handelingen.
De Uitgezonden Leiders gingen wanneer ze in de diaspora waren, elke sjabbat naar de Joodse synagoge en wanneer ze in Jeroesjalajiem waren, gingen ze naar de Tempel en kwamen daar samen in de voorhoven van de Tempel om G�d en de Messias te aanbidden. Ze vierden de Bijbelse feesten en volgden de Joodse gedenkdagen en gebruiken en verwelkomden hun broeders en zusters uit de volken als gelijken en in eenheid in het Koninkrijk van G�d. Het lijkt mij dat wij deze punten in acht moeten nemen, wanneer wij spreken over het herstel van de geloofsgemeenschap van het Nieuwe Testament.

Voetnoten:
1. Luk. 2:49, "En Hij zeide tot hen: Waarom hebt gij naar Mij gezocht? Wist gij niet, dat Ik bezig moet zijn met de dingen mijns Vaders?" Joh. 2:16, "En tot de duivenverkopers zeide Hij: Neemt dit alles hier vandaan, maakt het huis mijns Vaders niet tot een verkoophuis.�

2. Handelingen 3:8, 10, "En hij sprong op en stond en liep heen en weer en hij ging met hen de Tempel binnen, lopende en springende en G�d lovende� 10 en men herkende hem als degene, die om een aalmoes gezeten had aan de Schone Poort van de Tempel; en zij werden met verbazing en ontzetting vervuld, over wat met hem gebeurd was."

3. Handelingen 5:12, "En zij waren allen eendrachtig bijeen in de zuilengang van Salomo."

4. Handelingen 5:42, "En zonder ophouden, iedere dag, leerden zij in de Tempel en aan huis, en verkondigden het evangelie, dat de Christus Jezus is."

5. Handelingen 18:18, "En nadat Paulus daar nog verscheidene dagen was gebleven, nam hij afscheid van de broeders en voer weg naar Syri�, vergezeld door Priscilla en Aquila, nadat hij te Kenchree�n zijn hoofdhaar had laten afknippen, want hij stond onder een gelofte."

6. Handelingen 24:14, �Maar dit erken ik voor u, dat ik naar die weg, die zij een secte noemen, inderdaad de G�d der vaderen vereer, gelovende al hetgeen in de wet en in de profeten geschreven staat.�

7. Exodus 23: 17 "Driemaal in het jaar zullen al uw mannen voor het aangezicht van Adonai Elohim verschijnen. 18 �Gij zult het bloed van mijn slachtoffer niet met iets gezuurds offeren, noch zal het vet van mijn feestoffer de nacht overblijven tot de morgen. (Zie ook: Handelingen 18:21, in de Statenvertaling: 21 �Maar hij nam afscheid van hen, zeggende: Ik moet ganselijk het toekomende feest te Jeroesjalajiem houden: doch ik zal tot u wederkeren, zo G�d wil. En hij voer weg van Efeze.� De vertalers van de NBG meenden dat dit vers in de tekst van de Statenvertaling niet voldoende ondersteuning had om opgenomen te worden in de eklektische tekst van de NBG-vertaling. Het lijkt mij dat dit weer een voorbeeld is van de ontjoodsende tendenzen in de moderne westerse theologie, die je aantreft in de modernere vertalingen in de westerse landen.)

8. Het Griekse woord dat hier gebruikt wordt, is het standaardwoord voor ”offers" door het gehele Oude en Nieuwe Testament heen. Dit is weer een voorbeeld van de bovenvermelde anti-joodse trend, deze keer te vinden in de woordkeuze waaraan de vertalers de voorkeur gaven om in de Engelse vertaling te gebruiken.

9. Handelingen 26:21, "Hierom hebben de Joden mij in de Tempel gegrepen en getracht mij om te brengen."

10. Prof. I. Yadin, was van mening dat de brief aan de Hebree�n is geschreven aan een groep uit de gemeenschap van de Essenen die Yeshua aanvaard hadden als de Messias, en die teleurgesteld waren en bijna op het punt stonden hun geloof op te geven. Als deze theorie van Prof. Yadin correct is dan geeft de visie in de brief aan de Hebree�n op de Tempel in Jeroesjalajiem de visie weer van deze secte aan de Dode Zee. De visie van de gemeenschap van de Essenen kan verschillend zijn van die van de Farizee�n die tot geloof waren gekomen.

Joseph Shulam
directeur van Netivyah Bijbel Centrum, Jeruzalem