Homoseksualiteit en openbare functies

Europese maatregel
Vanuit het Europese parlement in Brussel, waarbij de Nederlandse macht van kabinet en nationaal parlement verbleekt, is de vermaning gekomen dat Nederland nog steeds mensen met homoseksuele geaardheid discrimineert. Hierdoor zouden zij geweerd worden uit functies bij met name Christelijke instellingen, zoals scholen. Of Nederland maar even haast wil maken met de opheffing van deze discriminatie, zo lijkt Brussel te vinden.

Wil opleggen
Zonder in te gaan op het fenomeen homoseksualiteit, genetische bepaald of niet, zondig of niet, ethisch of onethisch verantwoord als voorbeeldfunctie, wel of niet bedoeld in het scheppingsplan met het oog op voortplanting, kan de vraag gesteld worden of een bepaalde groep met een gemeenschappelijk belang – emancipatie van homoseksualiteit – en met een belangenorganisatie – het COC – haar wil kan opleggen aan een andere groep met een ander gemeenschappelijk belang – behoud van het christelijke karakter van de instelling -, om daarmee aan vermeende discriminatie te ontkomen. Het beeld dringt zich onwillekeurig op van twee vechtende jongens, waarbij de een de ander in bedwang houdt, waarbij het lef ontbreekt om hem los te durven laten.
 
Wel of juist geen alternatief
Een soortgelijk verschijnsel doet zich voor in het conflict tussen een ambtenaar van de burgerlijke stand die niet aan het verzoek van twee homoseksuele mensen wil voldoen om hen in de echt te verbinden. Twee opvattingen worden met elkaar geconfronteerd. Soortgelijk, omdat, evenals in het geval van een solliciterende homoseksuele leraar op een christelijke school, er ook elders gesolliciteerd kan worden. Als de wet echter veranderd wordt ten gunste van het homoseksuele aanstaande echtpaar heeft de ambtenaar die wil weigeren om homoseksuelen in de echt te verbinden, geen keuze tot een alternatief.
 
Geen discriminatie tegen wie ook
Wij pleiten ervoor dat de wet zo zal zijn dat: 1. de ene groep niet zijn wil kan opleggen aan de andere en 2. dat er alternatieven moeten zijn voor geweigerden. De keuze van een groep kan dan in plaats van discriminatie gezien worden als het handhaven van het groepsprincipe, zonder dat hieruit gedwongen situaties kunnen ontstaan voor de een of de ander. Want laten we wel wezen, als door de wet opgelegd wordt dat niemand mensen met homoseksuele geaardheid kan weigeren voor een functie, is dat discriminatie van de degene of van de groep die niet met zijn principe in de knoop wil komen. En is er geen alternatief voor degene die wil weigeren, maar het niet meer kan. En discriminatie is wat we nu juist niet willen.