M’tsora

Het Hebreeuwse woord voor melaatsheid, tsara’at, betekent: een door de Eeuwige toegebrachte slag of plaag. Ik plaats het woord tussen aanhalingstekens, omdat melaatsheid niet hetzelfde is als lepra nu. Hier ligt een onmiddellijk verband tussen een bepaalde overtreding en een specifieke straf van Gd. Melaatsheid wordt veroorzaakt door achterklap, verklikking en alle andere vormen van schade die woorden kunnen veroorzaken, zowel aan het individu als aan de gemeenschap.

Wat wilde de Eeuwige Zijn volk leren door melaatsheid? Hij had hen uitgekozen om een volk van het leven te zijn, in tegenstelling met de heidenen, over wie duivel en dood heersen. Geen andere ziekte vond Gd zo geschikt om als symbool van de dood te dienen. Geen andere ziekte wordt zo sterk in �n adem genoemd met de dood zelf zie Numeri 12:10-12. Daarom moesten melaatsen ook rouwkleding dragen, die van hun eigen dood sprak, terwijl zij toch allerminst �ht dood waren (Leviticus 13:45). Daarom moesten bij een reinverklaring van een melaatse dezelfde reinigingsmiddelen gebruikt worden als wanneer iemand zich aan een dode verontreinigd had: cederhout, scharlaken en hysop (Leviticus 14:6, Numeri 19:6). Onder de offers die bij een reiniging van een melaatse werden gebracht, was geen dankoffer voor de ontvangen genezing. Over genezing werd zelfs met geen woord gerept. Wel over reiniging van de melaatse, de symbolisch dode, en over zijn wederopneming in de gemeenschap van het volk en over het feit dat hij weer in Gds heiligdom mocht komen. In het Nieuwe Testament wordt zo goed als altijd van melaatsen die een ontmoeting met Yeshua hebben gehad, gezegd dat zij werden gereinigd. Niet genezen, maar gereinigd. Alleen in Lucas 17:15 staat genezen, maar daar betreft het een Samaritaan. In de relatie met G’d leven we, daarbuiten is sprake van heidendom, duivel en dood.

De reiniging van een melaatse verloopt in twee etappes. De verzen 1 t/m 9 van Leviticus 14 gaan over zijn terugkomen naar het kamp van G’ds volk. De verzen 10 t/m 31 over zijn weer mogen komen in Gds heiligdom, toen de Misjkan (de Tabernakel), later het Beet HaMikdasj (de Tempel). De priester doet bij de melaatse wat schapenbloed en olie op de rechteroorlel, de rechterduim en de grote teen van de rechtervoet (vs. 14,17). Hierdoor wordt de melaatse verheven uit de staat van vreemdeling en buitenstaander, ja van dode, tot lid van het volk van de Eeuwige, het volk van het leven. Door de symbolische handeling met de olie, zinnebeeld van het werk van de Geest, garandeert G’d hem dat Hij hem door Zijn Geest ertoe wil bekwamen om Zijn wil met zn oor te horen en met hand en voet ook gewillig op te volgen. Gd wil dat ook wij een en al oor zijn voor Zijn stem, om te doen wat Hij vraagt (vgl. Ezechi� 36:25-27).