Messias Yeshua onderwijst Tenach en Halacha 14: Uitzenden en uitgezonden worden in de evangelies

Inleiding
Toen ik ongeveer acht jaar oud was, stuurde mijn moeder mij voor mijn eerste ‘missie’ uit naar de supermarkt om een fles melk en een brood te kopen. Ze legde het geld in mijn hand, gaf me haar instructies. Ik stapte op mijn fiets en ging op weg om de taak te volbrengen. Ik weet niet of ze het zei, maar ik weet zeker dat ze verwachtte dat ik zou terugkomen met melk en brood en haar wisselgeld en niet met melk, brood en wat koekjes of snoep. Er gebeurt iets bijzonders wanneer een persoon door een ander wordt uitgekozen om ergens heen te gaan om iets te doen. Iemand vertrouwt je met zijn geld, met zijn instructies, met een opdracht en soms met zijn reputatie. Degene die wordt uitgezonden, vertegenwoordigt degene die hem zendt, en dat is een heilige verantwoordelijkheid en eer. Er is een diep gevoel van voldoening, wanneer iemand de taak uitvoert die aan hem is toevertrouwd.

Vertegenwoordiging
In de Bijbel zijn er veel voorbeelden van personen die een ander met een opdracht uitzendt. Abraham zond zijn trouwe rentmeester om een vrouw te vinden voor zijn zoon Isaak (Genesis 24). Jakob zond geschenken naar Esau (Genesis 32:13-20). Koningen zonden boden, legers en goederen uit. G’d stuurde profeten om voor Hem te spreken. Yeshua zond Zijn discipelen om Zijn boodschap te dragen en om namens Hem op te treden, en gaf hen zelfs de macht om te genezen en wonderen te doen in Zijn Naam. De relatie tussen de afzender en de uitgezondene wordt ‘vertegenwoordiging’ genoemd. De ene persoon benoemt een andere persoon om op te treden als zijn ‘afgevaardigde’, of het nu gaat om zaken doen, een boodschap overbrengen en een antwoord terugbrengen, of een bepaalde klus voor hem doen. In dit artikel zal ik uitleggen hoe dit concept van ‘vertegenwoordiging’ op verschillende manieren uitpakt in de bijbelvertellingen.

Zenden en vertegenwoordiging in de Tenach
Het Hebreeuwse woord voor een vertegenwoordiger of boodschapper is ‘sjaloeach‘ iemand die wordt gestuurd en komt van het werkwoord ‘sjalach‘ – om te zenden. Het Griekse equivalent is apostello, wat ook betekent ‘te zenden’. Daar vandaan komt het woord ‘apostel’, dat wil zeggen: iemand die gezonden is. Overigens komt het woord ‘epistel’, een verzonden brief of document, uit hetzelfde werkwoord. Hoewel iedereen iemand anders tot zijn afgevaardigde kan benoemen, zijn de meest voorkomende voorbeelden van afgevaardigden degenen die door G’d of door een koning zijn gestuurd. Koning David zond bedienden naar Abigail om haar een huwelijk aan te bieden. Ze ontving de boodschappers genadig en ging toen met hen mee om de vrouw van David te worden. Haar acceptatie van het voorstel van de dienaren was hetzelfde alsof David zelf het voorstel had gedaan en zij had geaccepteerd, “Toen de dienaren van David bij Abigail in Karmel kwamen, zeiden zij tegen haar: David heeft ons naar u toe gezonden (sjalach) om u tot zijn vrouw te nemen” (1 Samuël 25:40).

Belediging
Aan de andere kant is het ‘slecht behandelen’ van boodschappers een belediging voor degene die hen gezonden heeft, zoals David in 2 Samuël 10 overkwam. David zond boodschappers naar de koning van de Ammonieten na de dood van zijn vader. De koning verdacht hen van spionage en was wreed tegen hen. David vatte dit op als een persoonlijke belediging en voerde oorlog tegen de Ammonieten. In de Bijbel is G’d de meest voorkomende zender en degenen die zijn gezonden, zijn de profeten. We zien in het voorbeeld in Ezechiël de dynamiek van de afzender en de zender, hoe de gezondene de zender vertegenwoordigt. G’d waarschuwt Ezechiël dat, omdat Israël niet naar G’d wenst te luisteren, zij ook niet naar hem zullen luisteren, “Want u bent niet gezonden (sjaloeach) naar een volk met een vreemde of moeilijke taal, maar naar het huis van Israël … Maar het huis van Israël zal niet naar u luisteren, want zij zijn niet bereid naar Mij te luisteren …” (Ezechiël 3:5, 7).

Het aanstellen
Het zenden betekent niet noodzakelijkerwijs dat de persoon naar een andere plaats moet reizen om de boodschap van de afzender af te leveren of zijn zaken te behartigen. Het belangrijkste onderdeel van ‘zenden’ is de aanstelling van iemand die optreedt namens degene die aanstelt. Het is net als het geven van een volmacht in moderne, juridische termen. Hier is een situatie, waarin de profeet Achia wordt ‘gezonden’ om een boodschap over te brengen aan de vrouw van Jerobeam. Maar de profeet gaat nergens heen; liever komt ze naar hem toe, “Maar toen Achia het geluid van haar voeten hoorde, toen zij bij de deur binnenkwam, zei hij: ‘Kom binnen, vrouw van Jerobeam; waarom doe je alsof je een ander bent? Want ik belast (sjaloeach, gezonden) met een harde boodschap voor u” (1 Koningen 14:6).

Gemachtigd zijn
Koning Josafat – in een interessante parallel met Yeshua die Zijn discipelen uitzend om het goede nieuws van het Koninkrijk van G’d naar de steden van Israël te brengen – voerde een hervorming in zijn koninkrijk uit. Hij verwijderde de afgodische aanbiddingsplaatsen en stuurde vervolgens zijn officieren erop uit met een Torarol, om de Tora te onderwijzen in de steden van Juda, “In het derde jaar van zijn bewind zond hij zijn hoge ambtenaren, Ben Chaïl, Obadja, Zecharja, Netanel en Micha, om te leren in de steden van Juda … Zij onderwezen in Juda de Tora van de Eeuwige; zij gingen rond door alle steden van Juda en leerden onder de mensen” (2 Kronieken 17:7, 9). Gelukkig ontvingen de mensen deze boodschappers en de Tora die ze brachten, en de koning en zijn koninkrijk hadden voorspoed. G’d bracht zijn vijanden angst en de Judeeërs hadden vrede en zegen. Dus we zien dat, in de Bijbel, G’d afgevaardigden benoemt om zijn boodschappen te brengen en zijn werk in de wereld te doen. Afgevaardigden van G’d zijn meestal de profeten. Afgevaardigden hebben de autoriteit van de persoon die ze heeft gestuurd. Dergelijke personen zijn gemachtigd om de zaken van de afzender uit te voeren.

Afgevaardigden en vertegenwoordiging in Joodse wet
Tegen de tijd van de Misjna, ongeveer overeenkomend met de nieuwtestamentische periode, was in de Joodse wet het begrip van ‘vertegenwoordiger’ als een rechtsbeginsel uitgewerkt. Een persoon kan een afgevaardigde aanwijzen, vaak in aanwezigheid van getuigen, om hem te vertegenwoordigen en de instructies van de afzender namens hem uit te voeren. Juridisch gezien leek de afgevaardigde op de afzender. Wat hij deed, werd beschouwd alsof de afzender het zelf had gedaan. Dit kan goed of niet zo goed zijn. Een afgevaardigde die zijn missie verknoeide, bracht schande over degene die hem gestuurd had.

Misjna Berachot
Dit principe is verwoord in de Misjna in verband met een persoon die door de gemeenschap is aangesteld om de openbare gebeden namens hen te leiden en met de gemeenschap zelf. Misjna Berachot 5:5, “Degene die bidt en een fout maakt; het is een slecht voorteken voor hem; en als hij een afgevaardigde (sjaliach) van de gemeenschap is, is het een slecht voorteken voor de gemeente, omdat iemands vertegenwoordiger als hem zelf is.” Een afgevaardigde of boodschapper wordt een sjaliach genoemd, wat het Aramese gelijkwaardige woord is van het Hebreeuwse woord ‘sjaloeach’ dat in de Tenach wordt gebruikt. Beiden zijn afgeleid van het werkwoord ‘sjalach’, ‘uitzenden’. Deze Misjna haalt de uitspraak aan die algemeen bekend was in de Joodse wet, ‘de afgevaardigde van een persoon is zoals hijzelf is’.

Misjna Kiddoesjin
Iedereen kan vertegenwoordiger aanstellen om zijn zaken te regelen, zoals we zien in het geval van een huwelijksaanzoek. Misjna Kiddoesjin 2:1, “Een man kan alleen en via een tussenpersoon verloven, en een vrouw kan alleen en via een tussenpersoon verloven …” De vertegenwoordiger moet de instructies van de afzender nauwkeurig uitvoeren, anders is de transactie die hij uitvoert juridisch niet bindend. 2:4, “Iemand die tegen zijn vertegenwoordiger zegt: ‘Ga naar buiten en verloof namens mij een bepaalde vrouw op een bepaalde plaats’, en hij ging heen en verloofde haar op een andere plaats, dan is zij niet verloofd.” Het kan voorkomen dat een vertegenwoordiger zijn zender voor eigen gewin verraadt. 3:1, “Iemand die tegen zijn vriend zegt: ‘Ga en verloof een zekere vrouw voor mij’, en hij ging en verloofde haar voor zichzelf, dan is zij verloofd met de tweede, de vriend.” Deze tussenpersoon stelde een huwelijk voor met de door de afzender aangewezen vrouw, maar hij besloot dat hijzelf met haar zou trouwen in plaats van de afzender. Hiermee vervalt de vertegenwoordiging, maar blijft de verloving wel in stand. Ze is verloofd met de afgevaardigde die haar heeft verloofd, en niet met de oorspronkelijke afzender. Of het nu de opdracht is om iets te kopen of te verkopen, een huwelijk of een echtscheiding, of een andere zaak, zaken doen met de afgevaardigde was juridisch precies hetzelfde, als het omgaan met degene die hem gestuurd had.

Vertegenwoordigers en apostelen
In de evangeliën en andere Apostolische Geschriften in het Nieuwe Testament is het uitzenden van afgevaardigden tamelijk gewoon. Toen Yeshua voorbereidingen trof om Jeruzalem binnen te gaan, stuurde Hij twee discipelen om de ezel te krijgen waarop hij zou rijden (Lukas 19:29 e.v.). Net als in Lukas 22:8, zond Yeshua Petrus en Johannes en Hij zei, “Ga en bereid de Pesachmaaltijd voor ons …” In beide gevallen hoefden de discipelen, de gezondenen, alleen maar te zeggen: “De Heer heeft deze dingen nodig” en zijn instructies werden vrijwillig uitgevoerd, omdat de afgevaardigden in Zijn naam handelden, dat wil zeggen namens Hem. Yeshua vertelt veel gelijkenissen waaronder het sturen van dienaren om zaken te doen. Matteüs 21:33-41 gaat over een landeigenaar die zijn wijngaard verhuurde aan huurders. “Toen de oogsttijd was aangebroken, stuurde hij zijn dienaren naar de huurders om zijn producten te verzamelen” (vers 34), maar zij sloegen de dienaren en probeerden de vruchten voor zichzelf te houden. Dit was een persoonlijke belediging voor de eigenaar, die de oneerlijke huurders dienovereenkomstig behandelde.

De wijze waarop
Het meer formele gebruik van het woord en het begrip van vertegenwoordiging in de evangeliën hangt samen met de wijze, waarop Yeshua zijn discipelen uitzendt. Mattheüs 10, en de gelijkenissen in de andere evangeliën, zijn gerelateerd aan het model waarop ‘apostelschap’ is gebaseerd, zie Matteüs 10:5-10, “Toen riep Yeshua Zijn twaalf discipelen bijeen en gaf hun autoriteit over onreine geesten, om ze uit te drijven en elke ziekte en elke kwaal te genezen … Genees de zieken, wek de doden op, reinig de melaatsen, werp demonen uit…” Yeshua nam Zijn twaalf zorgvuldig uitgekozen discipelen, gaf hen de autoriteit om het werk te doen, gaf hen instructies wat te doen en wat ze niet moesten doen en zond hen vervolgens uit. Ze werden Zijn vertegenwoordigers waar ze ook gingen.

Zelfde behandeling als de zender
Ze deden wat Hij deed, predikten wat hij predikte. En ze zouden moeten verwachten dat ze op dezelfde manier behandeld zouden worden als de mensen Hem behandelden – soms goed, en soms niet zo goed. “Wie je verwelkomt, verwelkomt Mij, en wie Mij verwelkomt, verwelkomt degene die Mij heeft gestuurd” (10:40). Omdat Yeshua door G’d werd gestuurd, vertegenwoordigden de discipelen niet alleen Yeshua, maar ook G’d in de hemel zelf. Deze opdracht, en anderen in de evangeliën, dienden als training voor de discipelen om hen voor te bereiden op de grotere, toekomstige opdrachten. Ze moesten de ernst van de hun toevertrouwde taken leren kennen en de autoriteit die ze hadden gekregen hanteren. Zoals we zien na zo een opdracht (Lukas 10:17), keerden de zeventig terug met vreugde. Ze zeiden, “Heer, in Uw naam onderwierpen zelfs de demonen zich aan ons!”

In de naam van Yeshua
‘Iets doen ‘in Yeshua’s naam’ is een onderdeel van het begrip ‘afvaardiging’. Een afgevaardigde handelt in de naam van degene die hem heeft gestuurd. Hij treedt op als zijn vertegenwoordiger, op zijn gezag. De afgevaardigde moet ervoor zorgen, dat hij handelt op een manier die de afzender eert, die de wil van de afzender doet en die de autoriteit van de afzender niet overschrijdt. Het is een serieuze verantwoordelijkheid. Wanneer we iets zeggen of doen ‘in Yeshua’s naam’ moeten we onszelf de populaire vraag stellen: ‘Wat zou Yeshua doen?’ We beweren dat we optreden als Zijn vertegenwoordigers. We sturen onszelf niet. We krijgen Zijn naam niet om deze voor onze eigen doeleinden te gebruiken. We moeten loyale afgevaardigden zijn. Aan het einde van zijn werk op aarde zond Yeshua Zijn discipelen uit. Dit staat bekend als het zendingsbevel. De passage staat vol met de taal van de autoriteit van de opdrachtgever, de naam van G’d, het verzenden en zijn instructies voor de missie, zie Matteüs 28:18-20.

Iemand die er bij was
Op een andere plaats voegt hij toe: “Vrede is met jullie. Zoals de Vader mij heeft gezonden, zo zend ik jullie uit” (Johannes 20:21). Dit is de basis voor het apostelschap in het Nieuwe Testament. De rol is vrijwel dezelfde als die van de profeten in de Tenach. Na de hemelvaart van Yeshua, begrepen de apostelen dat er een vervanging nodig was voor Judas, die Yeshua had verraden, om het aantal apostelen volledig te maken tot twaalf, zoals Yeshua oorspronkelijk had bedoeld. Peter stelde de voorwaarden. “Het moet iemand zijn die ons vergezelde gedurende de hele tijd dat Yeshua onder ons leefde, beginnend bij de doop van Johannes tot de dag dat hij van ons werd opgenomen – één van hen moet een getuige worden van zijn opstanding” (Handelingen 1:21). Er is iets unieks met de twaalf apostelen, omdat ze allemaal getuigen waren geweest van de woorden en daden van Yeshua en van zijn opstanding. Paulus noemde zichzelf ‘de laatste apostel’, deels omdat hij ook de verrezen Yeshua op de weg naar Damascus had ontmoet. Na hem waren er geen ooggetuigen meer van de opstanding.

Anderen meer simpele boodschappers
In de brieven van Paulus werden anderen ‘apostelen’ genoemd, maar de betekenis is daar eenvoudiger, namelijk: vertegenwoordiger of boodschapper. Ze worden uitgezonden door de gemeenten, of door leiders of andere personen in de gemeenten. Het zijn echter geen Apostelen zoals de twaalf en zoals Paulus. “Wat Titus betreft, hij is mijn partner en medewerker in uw dienst; wat onze broeders betreft, zij zijn boodschappers (apostoloi) van de gemeenten, tot eer van de Messias” (2 Korinte 8:23). “Toch denk ik dat het nodig is om Epafroditus te zenden – mijn broer en medewerker en medestrijder, die uw boodschapper (apostolos) was om mij te helpen in hetgeen ik nodig had” (Filippenzen 2:25). Door het hele Nieuwe Testament heen vinden we het volledige scala aan betekenissen van vertegenwoordiging, van het eenvoudig sturen van een boodschapper met een ‘missie’, tot het formeel in dienst stellen van boodschappers binnen gemeenten, tot de opdracht van de discipelen die door Yeshua zijn uitgezonden, naar de bediening van de twaalf Apostelen en Paulus. Nu is er nog een toepassing van dit woord, die vaak over het hoofd wordt gezien.

Yeshua – degene die G’d heeft gestuurd
Er zijn veel, misschien wel tientallen namen en titels van Yeshua in de Schrift. Een die weinig bekend is, staat genoemd in de brief aan de Messiasbelijdende Joden, de Hebreeën. Misschien krijgt deze niet veel aandacht in preken of gebeden of erediensten, maar als er uitleg en aandacht aan wordt geven, wordt het duidelijk. Yeshua wordt de ‘Apostel van onze belijdenis’ genoemd, “Daarom, heilige broeders en zusters, heilige partners in een hemelse roeping, richt uw oog op Yeshua, de apostel en hogepriester van onze belijdenis, die trouw was aan degene die hem had aangesteld, net zoals Mozes ook trouw was in zijn opdracht in G’ds huis” (Hebreeën 3:1-2). We zijn misschien niet gewend Yeshua als een apostel te beschouwen, maar eigenlijk is deze titel passend, zoals overduidelijk is in het evangelie van Johannes. Johannes noemt Yeshua nooit een apostel, maar hij gebruikt het werkwoord ‘gezonden’ ongeveer 50 keer in de 21 hoofdstukken van zijn evangelie, om naar Yeshua te verwijzen als degene die G’d heeft gestuurd.

 

Yeshua – G’ds afgevaardigde
Yeshua spreekt van zichzelf vaak als de gezondene van G’d, door de wil te doen van Degene die hem gezonden heeft, “Ik kan niets alleen doen. Zoals ik hoor, oordeel ik; en Mijn oordeel is rechtvaardig, omdat Ik Mijn eigen wil niet wil doen, maar de wil van Hem die mij gezonden heeft” (Johannes 5:30). Zoals we hebben gezien, is de manier waarop mensen de door G’d gezonden Zoon ontvangen en behandelen, rechtstreeks verbonden met de manier, waarop ze G’d zelf eren, of nalaten dit te doen, “… zodat iedereen de Zoon kan eren zoals zij de Vader eren. Iedereen die de Zoon niet eert, eert de Vader niet die hem gezonden heeft” (5:23). Yeshua is de afgevaardigde of vertegenwoordiger van G’d, bevoegd om het werk van G’d in de wereld te doen. Omgaan met Hem is alsof je met G’d zelf te maken hebt. Op deze manier konden we de theologisch moeilijke uitspraken van Yeshua begrijpen, zoals Johannes 14:9, “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien”, en Johannes 10:30, “De Vader en Ik zijn één”. Yeshua is G’ds afgevaardigde in de hoogste zin waarin het halachische concept in de Bijbel wordt gebruikt.

Conclusie
We hebben gezien hoe de eenvoudige handeling van het uitzenden een morele en wettelijke band creëert tussen de zender en degene die wordt uitgezonden. De gezondene moet handelen volgens de instructies van de afzender en op zijn wettelijke gezag. Het anderszins doen resulteert in het falen om de missie te volbrengen en kan schande of belediging voor de afzender opleveren. Door de eeuwen heen is ‘vertegenwoordiging’ een legale afvaardiging geworden met formele, juridische consequenties. Het juridische aspect van verzenden is gemakkelijk over het hoofd te zien, omdat de daad zo gewoon is in ons leven, zoals wanneer we een postzegel op een brief plaatsen en deze versturen, of een kind naar de winkel sturen om boodschappen te halen. Maar wanneer we aandacht schenken aan de details van veel bijbelvertellingen, vinden we de rol van afgevaardigde vervuld door dienaren en zonen, gewone mensen en leden van koninklijke hoven, profeten en apostelen, en zelfs door Yeshua zelf. En dit alles moet de manier bepalen waarop we handelen wanneer we begrijpen dat we door G’d of door zijn mensen worden gestuurd, en wanneer we bidden en handelen ‘in Zijn Naam’. Het is een heilig vertrouwen.

Leib Reuben
Jeruzalem