Messias Yeshua onderwijst Tenach en Joodse Halacha 7 -

 De openingszin van het evangelie van Matteüs

Een begin is belangrijk
Toen Matteüs zijn evangelie wilde gaan schrijven, moest hij overwegen hoe hij zijn boodschap zou presenteren. De eerste indruk is belangrijk. Ik houd ervan naar het begin van een boek te kijken, want ik wil trouw zijn aan de bedoelingen en het begrip van de oorspronkelijke schrijver. Voor dit artikel onderbreek ik de serie over het halachische onderwijs van Yeshua, om een blik te werpen op de eerste zin van het evangelie van Matteüs, “Geslachtsregister van Yeshua de Messias, de zoon van David, de zoon van Awraham” (Matteüs 1:1).

Niet duidelijk
Hoewel het niet gemakkelijk is, moeten we proberen te tekst te benaderen als eerste-eeuwse Joodse lezers, zonder de religieuze en historische vooronderstellingen van de laatste 2000 jaar. Het Griekse woord voor Messias, christos, bijvoorbeeld, is een simpelweg een bijvoeglijk naamwoord, dat betekent ‘iemand of iets die, of wat, is overgoten met olie’. Het is de vertaling van het Hebreeuwse masjiach, of messias, dat dezelfde betekenis heeft. Het Grieks zegt op dit punt niet duidelijk ‘De Messias’. We kunnen niet zonder meer aannemen dat Matteüs het bedoelde als Yeshua’s naam of titel.

Luisteren naar Matteüs
We moeten onszelf afvragen hoe hij het bedoelde. In oude Griekse manuscripten worden geen komma’s gebruikt. Het plaatsen van een komma in een vertaling kan de betekenis veranderen. Als we een komma plaatsen na ‘Yeshua’ dan wordt hij beschreven als ‘Yeshua, gezalfde zoon van David’. Dat is de beschrijving van een koning in Israël. Als we de komma verplaatsen tot na het woord ‘gezalfde’, dan wordt het een titel van Yeshua: ‘Yeshua (de/een) Gezalfde,’ of ‘Messias’ – en het kan zowel betekenen dat hij een Messias is (een gezalfde man) of De Messias.

Het begin van de vier evangeliën
Teneinde Matteüs beter te begrijpen is het een goed idee naar het begin van de andere evangeliën te kijken. Elke schrijver begint op zijn eigen manier. Elke schrijver heeft zijn eigen karakter, zijn eigen stijl, en zijn eigen agenda. Als de apostelen alleen een biografie van Yeshua hadden willen schrijven, dan hadden we genoeg aan één compleet evangelie. Wij hebben er vier, omdat vier schrijvers op verschillende tijden en in verschillende plaatsen voor verschillend publiek schreven.

De jonge Markus
Markus was een discipel en metgezel van Petrus. Petrus belandde uiteindelijk in Rome, en stierf daar. Markus was bij hem. Hij schreef aan de Romeinen, om het verhaal te vertellen in hun taal en context. Men gelooft dat Markus het evangelie is dat het vroegst geschreven is. Het is het kortste evangelie, geschreven in een snel tempo, en maakt een jeugdige, urgente indruk. Markus schrijft in hoofdstuk 1 vers 1, “Begin van het evangelie van Jezus (Yeshua) de Messias (de Messias) [de zoon van G’d].”

Grieks en Hebreeuws
Markus identificeert zijn werk onmiddellijk als ‘het evangelie’, goed nieuws, dat betrekking heeft op ‘Yeshua de Messias’. Romeinen kenden waarschijnlijk het Griekse woord christos beter dan het Hebreeuwse masjiach. De Griekse vorm van zijn naam, Jezus, klonk hen waarschijnlijk beter in de oren dan het Hebreeuwse Yeshua. Hier zien we Markus dus aan de Romeinen het goede nieuws verkondigen van Jezus, (die is de) Christus (Gezalfde). In de Statenvertaling wordt het vers vervolgd met de volgende zinsnede, “zoon van G’d”.

Yeshua als rivaal van Caesar
In de NBG is dit gedeelte weggelaten, omdat het in de oudste handschriften ontbreekt. Mogelijk is die toevoeging dus niet door Markus geschreven. Maar als hij die wel schreef, zou hij Yeshua voor de Romeinen beschreven hebben als een vleeswording van het goddelijke, iets wat lijkt op de manier waarop zij Caesar beschouwden. Waar Matteüs uitdrukkingen gebruikt als ‘zoon van David’ en ‘zoon van Abraham’, die de Joden aanspreken, lijkt Markus besloten te hebben Yeshua te introduceren als ‘de zoon van G’d’, om hiermee de Romeinse aandacht te trekken. Dit zou Yeshua een soort van rivaal van Caesar maken en daarmee een bedreiging.

Lukas de interviewer
Lukas was een arts, een wetenschappelijk gevormde man, en een metgezel van de apostel Paulus. Paulus en Lukas waren geen van beiden ooggetuigen van de woorden en daden van Yeshua. Daarom begint Lukas met: “Aangezien velen getracht hebben een verhaal op te stellen over de zaken, die onder ons hun beslag hebben gekregen, zoals zij ons hebben overgeleverd die van het begin aan ooggetuigen en dienaren van het woord geweest zijn, ben ook ik tot het besluit gekomen, na alles van meet af aan nauwkeurig te hebben nagegaan, dit in geregelde orde voor u te boek te stellen, hoogedele Theofilus …” (Lukas 1:1). Van de vier evangeliën staat het evangelie van Lukas daarom waarschijnlijk het dichtst bij een biografie.

Johannes als getuige
Aan de andere kant neemt Johannes zijn boodschap naar een geheel nieuw niveau. Voor hem begint het verhaal in de hemel, vóór de schepping van de wereld, “In het begin was het Woord en het Woord was bij G’d en het Woord was G’d” (Johannes 1:1). Johannes vertelt het verhaal van de goddelijke en eeuwige Logos, het ‘Woord’ of misschien de Tora, die kwam om vlees te worden in de man Yeshua. Johannes was de laatste overlevende van de oorspronkelijke twaalf. Hij was dus persoonlijk bekend met het verhaal. Tijd en zijn persoonlijke ervaring kunnen hem een meer verheven uitleg gegeven hebben van Yeshua’s leven dan de andere evangelieschrijvers.

Matteüs 1:1 woord voor woord
Terug naar Matteüs. Ik wil zijn eerste zin woord voor woord uit elkaar halen om te begrijpen wat elk woord betekent – wat het betekende voor de oorspronkelijke lezers. Daarna zal ik de zin weer in elkaar zetten om naar de betekenis van het geheel te luisteren. Matteüs schrijft een boek (Grieks biblos, Hebreeuws sefer). In die tijd werden boeken geschreven op rollen perkament, gedroogde dierenhuid, of papyrus, papier dat gemaakt werd van bewerkt riet dat geweven en samengeperst werd en daarna gedroogd. De boekrollen werden aan houten spillen vastgemaakt en opgerold voor opslag of vervoer.

Tora als voorbeeld van een boekrol
De inhoud van een boekrol was doorgaans een vorm van literatuur: geschiedenis, poëzie, verhalen, wetten. Boekrollen worden vaak in de Tenach genoemd. Ze werden gebruikt voor het optekenen van boodschappen van G’d, genealogieën, kronieken van de koningen, en natuurlijk, de Tora. Mozes moest de Tora op een boekrol schrijven en die naast de ark van het verbond bewaren, zie Dewariem 31:24‑26 (Deuteronomium). In Dewariem 17:18‑19 wordt de koning opgedragen een Torarol te kopiëren voor zichzelf, die naast zijn troon te bewaren en er regelmatig in te lezen.

Proclamatie
Al in de oudheid waren er professionele schrijvers die gerechtelijke dossiers konden schrijven, en er waren bibliotheken waar verzamelingen van rollen werden opgeslagen en geraadpleegd. Door zijn werk een boek te noemen geeft Matteüs zijn intentie aan dat het bewaard moet worden als een verslag van het leven, de daden en de leringen van Yeshua. Daarentegen heeft het evangelion (goede nieuws) van Markus meer het karakter van een proclamatie, die bedoeld was te worden verspreid en voorgelezen door herauten, of geplaatst te worden op publieke plaatsen.

Genealogie
Door zijn werk een genealogie te noemen, bedoelt Matteüs niet alleen een lijst te geven van de voorouders van Yeshua. Dat is zeker belangrijk, en het neemt inderdaad een groot deel van het eerste hoofdstuk in beslag. Het Griekse word genesis betekent ‘geboorte’ of ‘oorsprong’, en ook ‘genealogie’. Dit woord werd de titel van het eerste boek van de Bijbel omdat het ook kan betekenen: een verslag van het leven of de daden van een belangrijk iemand. Het Griekse woord is een vertaling van het Bijbels Hebreeuwse woord toldot, dat ongeveer hetzelfde betekent; het wordt in het boek Genesis gebruikt om zowel de genealogieën als de verhalen van de aartsvaders in te leiden.

Toldot
Sterker nog, na de scheppingsverhalen in het begin, opent het leeuwendeel van Genesis met de woorden, “Dit is het boek van de generaties (Hebreeuws: Sefer toldot, Grieks: Biblios geneseos) van Adam (of, van de mens).” Matteüs gebruikt dezelfde uitdrukking om zijn boek te introduceren. Het lijdt geen twijfel dat hij zijn lezers duidelijk wil maken dat het verhaal dat hij gaat vertellen, net zo belangrijk is als de verhalen in Genesis. De beroemde historicus Josephus, zo ongeveer een tijdgenoot van de schrijvers van de evangeliën, noemt zijn eigen werk een ‘geschiedenis’. Misschien is dit niet zo’n slechte vertaling van toldot. Josephus begint zijn monumentale werk, De oude geschiedenis van de Joden, met de volgende uitleg.

Tekst van Josephus
“Oudheden van de Joden 1: 1, Degenen die op zich nemen geschiedenis te schrijven, doen dat, is mij opgevallen, niet allemaal ter wille van dezelfde zaak, maar om allerlei van elkaar verschillende redenen. 2 Want een aantal van hen legt zich toe op deze kunst om hun vaardigheden in het schrijven te tonen, en zich daarmee een reputatie te verwerven voor welsprekendheid. Anderen schrijven geschiedenis om degenen te behagen die erin betrokken zijn, en sparen zich om die reden geen moeite, maar presteren boven hun eigen vaardigheden; 3, maar er zijn anderen, die, door de nood gedwongen, gedreven worden om geschiedenis te schrijven, omdat ze betrokken zijn bij de feiten, en er dus niet onderuit kunnen ze op te schrijven, ten bate van het nageslacht: ja, niet weinigen worden bewogen om hun historische feiten te trekken uit de duisternis tot het licht, en om ze te voorschijn te brengen ten behoeve van het publiek, vanwege het grote belang van de feiten zelf waarmee ze betrokken zijn.”

Mede om verdraaiingen te corrigeren
Hij legt vervolgens uit dat het de derde reden is die hemzelf heeft gemotiveerd om zijn werk te schrijven, om belangrijke feiten bekend te maken aan het publiek, aangezien hij deelnam aan de Joodse oorlog met Rome, en omdat het verhaal van Israël en het Joodse volk door anderen werd verdraaid. De zin waarmee Josephus zijn boek begint, staat dichter bij het begin van Lukas dan bij de andere evangelieschrijvers. De inleiding van Lukas tot zijn evangelie noemt soortgelijke redenen voor het schrijven. Matteüs, een discipel van Yeshua en een deelnemer aan de gebeurtenissen waarover hij schrijft, is om dezelfde reden geïnteresseerd zijn verhaal van Yeshua te vertellen aan het Joodse publiek en aan ieder die het wil horen.

Yeshua
Net zoals we in de Tenach de ‘generaties van Abraham, Isaak en Jacob’ vinden, en de ‘generaties van Mozes en Aaron’, presenteert Matteüs in het werk dat voor ons ligt, de ‘generaties van Yeshua’. Zijn boek gaat over de geboorte, het leven, de daden, de leringen en de dood van Yeshua. Yeshua is het onderwerp van het boek. Er is een Hebreeuws werk uit de Middeleeuwen dat Toldot Yeshu heet. Het is in werkelijkheid een argument tegen het evangelie en Yeshua. Het is waarschijnlijk geen toeval dat de schrijver dezelfde woorden gebruikte als zijn titel. Het boek is niet alleen over de geboorte van Yeshua, maar over ‘het leven van Yeshua’.

Messias
Het Griekse woord christos betekent ‘gezalfd’, en zoals ik al gezegd heb, het kan betrekking hebben op een persoon of ding waar olie over uitgegoten is. Een persoon of ding dat was gezalfd was apart gezet voor heilige dienst. Priesters werden gezalfd, en de altaren en het gerei voor de Misjkan, zie bijvoorbeeld Sjemot, Exodus, 28:41 e.v.; 30:26 e.v.; en de Tempel. Later werden Israëlitische koningen en profeten ook gezalfd met olie, zie 1 Koningen 19:15-16, waar Elia wordt gestuurd om een koning te zalven over Syrië en één over Israël; en een profeet in zijn plaats. Wie was Matteüs? We weten uit Lukas 5:27 dat hij ook bekend was als Levi.

Matteüs Levi
Dit betekent waarschijnlijk niet dat hij uit de stam van Levi kwam. Het geslachtsregister in Lukas 3 noemt twee mensen die Levi heetten. Maar die mensen behoorden tot de stam van Juda, net als Yeshua zelf. Zijn tweede naam voegt dus geen informatie toe over wie hij was. Wel weten we dat hij een tollenaar was, iemand die belasting inde voor de Romeinse overheerser. Hoe het ook zij, het concept van De Messias als de eschatologische Koning en Verlosser van Israël en de wereld wordt niet ontwikkeld in de Tenach. De profeet Daniel gebruikt het woord Masjiach in zijn profetie over de 70 weken (Dan.9:25-26). Hij spreekt over ‘een gezalfde prins’ die zal komen en dan ‘een gezalfde’ die zal worden uitgeroeid. De profetie zou messiaans kunnen zijn, maar in dat geval zouden we willen dat het vers ‘de gezalfde prins’ zou zeggen, en dat zegt het niet.

Yeshua als de Messias
Het woord Masjiach dat wij kennen is een intertestamentair begrip, dat gegroeid is uit het verlangen naar een uiteindelijke persoon die koning, priester en profeet is en die Israël verlost en vrede en gerechtigheid brengt aan de wereld. In de dagen van Yeshua was het concept van De Masjiach wijdverspreid in Israël en zijn komst werd tegemoet gezien in de nabije toekomst. De Misjna en de Talmoed spreken over De Masjiach als een volledig ontwikkeld idee dat niet uitgelegd hoeft te worden. Ze noemen hem vrijelijk in discussies over hoe de wereld eruit zal zien voor en na zijn komst. We kunnen veilig aannemen dat Matteüs en zijn Joodse lezers het concept van De Messias ook kenden, en ook op zijn komst wachtten. In 1:17 verwijst Matteüs naar Yeshua als De Messias, dus dat is waarschijnlijk ook wat hij bedoelt in 1:1. Matteüs introduceert ons tot Yeshua als de man die deze rol vervult of zal vervullen.

Messias moet Jood van de lijn van David zijn
De genealogie van Yeshua door Matteüs vermeldt vervolgens dat Yeshua een Jood is en een afstammeling van de koninklijke lijn van Koning David. Was dat niet zo geweest, dan zou elke aanspraak de Messias te zijn onmiddellijk vals geweest zijn. G’ds belofte aan David was dat een van zijn zonen voor altijd op Davids troon zou zitten als Koning van Israël (2 Samuel 7). Dus de Messias moest een zoon van David zijn. En Matteüs vermeldt dit essentiële feit in zijn openingszin, dat Yeshua een afstammeling is van Koning David.

Zoon van David
Toen Yeshua op het toneel verscheen en grote menigten van volgelingen zich begon te verzamelen, was de Herodiaanse koning van Israël geen Jood maar een half-Jood. En hij was geen afstammeling van David, maar een marionet van Rome. Geen wonder dat hij Yeshua als een bedreiging voor zijn regering zag. Hij noch de hogepriesters waren blij met de verstoring van het delicate machtsevenwicht onder de benauwende heerschappij van de Romeinen. De term ‘gezalfde’ was waarschijnlijk ook een aanstoot voor zowel de koning als de priesters, die allen gezalfd waren voor hun taak. En het lijdt geen twijfel dat de titel ‘zoon van David’ de koning in het bijzonder stoorde.

Zoon van Abraham
G’ds oorspronkelijke zegen voor Abraham was, dat Hij hem een groot volk zou maken dat een zegen zou zijn voor alle naties van de wereld (Beresjiet 12:2-3, Genesis). Daarom is de uitdrukking ‘zoon van Abraham’ gaan betekenen ‘een lid van de stam van Abrahams afstammelingen, de erfgenamen van die belofte’. Yeshua wordt ons dus voorgesteld als een Jood, een lid van de koninklijke bloedlijn, degene die uitgekozen is om de Messias te zijn die zal heersen over het volk dat de Eeuwige uitgekozen heeft om een zegen voor de wereld te zijn. Deze titel is een indicatie dat Yeshua voor de naties komt, en niet alleen voor Israël.

Yeshua’s boodschap over G’ds trouw
Het is interessant dat G’ds beloften aan Abraham en aan David de kracht hebben van een eed. Later zal G’d zich beroepen op de eden die Hij zwoer aan onze vaderen, dat Hij zijn beloften aan Israël zal vervullen, zie Ezechiël 21:42. Dit suggereert dat de boodschap van Yeshua is geworteld in G’ds trouw en niet afhankelijk van Israëls uitvoeren van de Tora. Allebei zijn essentieel, laten we ons niet vergissen. Maar de nadruk ligt hier op de beloften. Daarentegen begint Pirkei Awot, ‘de Spreuken van de Vaderen’ – een soort inleiding op de Misjna en de Mondelinge Overlevering, als volgt (1:1), “Mozes ontving de Tora van Sinaï en gaf deze door aan Jozua…”.

Yeshua’s boodschap over de Tora
De Misjna, die in wording was en overgeleverd werd in dezelfde tijd als de evangeliën, plaatst zichzelf in de arena van de Tora, zowel de geschreven als de mondelinge. De rabbijnen vonden dat G’ds beloften samengingen met de Tora en net zo belangrijk waren. Maar zij legden de nadruk op de Tora. De Tora en de evangeliën zijn mijns inziens niet in competitie met elkaar, maar het zijn eerder twee kanten van dezelfde medaille. De rabbijnen, de wijzen en de schriftgeleerden onderwezen Tora; en Yeshua, Zijn discipelen en Zijn volgelingen, kondigden het goede nieuws aan van de Messias – en leerden Tora.

De puzzelstukjes aan elkaar gepast
We kunnen nu een laatste blik werpen op de volledige zin, waarbij we de betekenis en de context van de woorden in gedachten houden, terwijl we luisteren naar Matteüs wanneer hij zijn verhaal begint. “Een officieel verslag van de heilige geschiedenis van Yeshua de Gezalfde, koninklijke zoon van Koning David, erfgenaam van de beloften van G’d aan Awraham, die bestemd is zegen te brengen voor het volk van Israël en de naties van de wereld.” Als hij zijn ‘Boek van de geschiedenis van Yeshua’ schrijft, echoot Matteüs het begin van de hele verhaal van de mensheid, het ‘boek van de geschiedenis van Adam’ in Beresjiet, Genesis.

Houd het doel in de gaten
De lijst van titels die hij gebruikt om Yeshua voor te stellen spreekt direct tot het Joodse volk – ‘Messias’ – gezalfde koning, priester en profeet -, ‘zoon van David’ – koning van Israël, bedoelend de laatste, of uiteindelijke koning -, en: ‘zoon van Abraham’ – die de beloften van G’d aan Israël en de hele wereld draagt -. Wanneer we het evangelie van Matteüs lezen moeten we ernaar streven te zien hoe elk verhaal, elk gedeelte van het boek, bijdraagt aan het doel dat gesteld wordt in zijn openingszin. En mogen we zo degene, waarvan de Schriften spreken, beter leren kennen.

Leib Reuben
Jeruzalem