Messias Yeshua onderwijst Tenach en Joodse Halacha – Hoe de rabbijnen en Yeshua de Tenach uitleggen, deel 2

Introductie
In deel 1 van deze studie hebben we bekeken hoe Paulus passages van de Tenach in zijn leer heeft gebruikt, evenals de meeste, zo niet alle schrijvers van het Nieuwe Testament, vooral Matteüs. Misschien wel het belangrijkste om te onthouden is, dat de letterlijke betekenis van de tekst slechts een van de vele betekenissen is die allemaal legitiem gebruik van de tekst zijn. Denk aan de PaRDeS uitlegmethode – PaRDeS: Psjat (letterlijke betekenis), Remez (zinspeling of allegorische betekenis), Drasj (exegetische betekenis) en Sod (mystieke betekenis). Wanneer een schrijver de Tenach aanhaalt, vraag dan altijd welke van deze interpretatiestijlen hij gebruikt.

Eenzelfde gebruikt woord
Nu komen we bij een meer technisch voorbeeld, waarin Paulus een gezera sjawa (analogie van expressie) argument gebruikt, waarbij hij twee verzen uit de Tora samenbrengt op basis van eenzelfde gebruikt woord, om zijn zaak op te bouwen. Galaten 3:10, “Want allen die op de werken, genoemd in de Tora, vertrouwen, zijn onder een vloek. Want er staat geschreven (Deuteronomium 27:26): Vervloekt is iedereen die niet alle zaken die in het boek van de Tora geschreven staan, in acht neemt en gehoorzaamt. … 13 De Messias heeft ons verlost van de vloek van de Tora door een vloek voor ons te worden – want er staat geschreven (Deuteronomium 21:23): Vervloekt is iedereen die aan een boom hangt.”

Niemand is vervloekt vanwege geboden doen
In vers 10 stelt Paulus, dat iemand zich niet kan baseren op de mitswot (geboden) die hij doet, wanneer deze beweert dat hij rechtvaardig is, De Tora zegt, dat wie de geboden niet gehoorzaamt, vervloekt is, met zeer specifieke en angstaanjagende vloeken! Paulus voegt de woorden ‘alle zaken’ toe, omdat zijn argument is, dat iemand die beweert de Tora te houden om te bewijzen dat hij rechtvaardig is, alle geboden moet houden. Anders houdt hij de Tora niet. Paulus zegt niet dat de Tora een vloek is, of dat iemand vervloekt is, omdat hij de mitswot houdt. Helemaal niet! Iedereen die de mitswot breekt, valt onder de vloeken die in de Tora worden beschreven. Aangezien we dat allemaal doen, brengen we onszelf onder die vloeken.

Slim argument
Paulus doet in vers 13 een beroep op een ander vers in de Tora, dat hetzelfde woord ‘vloek’ gebruikt. De psjat van het vers gaat over een persoon die wordt opgehangen. We mogen het lichaam niet van de ene op de andere dag aan de boom laten hangen, om geen vloek over het land te veroorzaken. De psjat is niet relevant voor het punt van Paulus. Hij maakt een midrasj. Yeshua werd aan een houten kruis gehangen. ‘Hout’ en ‘boom’ zijn hetzelfde woord in het Hebreeuws. Dus neemt Paulus de woorden van het vers om in een midrasj te zeggen, dat Yeshua vervloekt werd toen hij aan het kruis (boom) werd gehangen. Op deze manier nam Yeshua de vloek die in de Tora wordt beschreven, op zich en van ons af. Een klassiek en slim midrasj-argument.

Groeiend probleem
Hier is nog een laatste voorbeeld uit de brieven van Paulus. Opnieuw heeft Paulus het over het probleem van mensen – Joden en niet-Joden – die geloofden dat het houden van de Tora en het doen geboden hen rechtvaardig maakte. Dit was een groeiend probleem, omdat niet-Joodse mensen zich toevoegden aan de Joodse geloofsgemeenschap om Yeshua te volgen. Er waren Joden die beweerden, dat Joodse en niet-Joodse gelovigen de Tora moesten houden om rechtvaardig te zijn. En er waren niet-Joden die ervan overtuigd waren geraakt, dat ze de Tora moesten houden om hun toewijding aan G’ds verbond met Israël te laten zien.

Niet werken maar geloven
Om het probleem nog ingewikkelder te maken, waren er aan beide kanten mensen die geloofden dat, aangezien men niet alle geboden van de Tora kan houden, het geen zin heeft deze te houden. En daarom ‘bevrijdde’ Yeshua ons van de Tora. Paulus wendt zich daarom tot Abraham als een voorbeeld van onze juiste basis voor rechtvaardigheid, “Want als Abraham gerechtvaardigd was door werken, dan had hij iets om over op te scheppen. Maar niet vóór G’d. Want wat zegt de Bijbel (Genesis 15:6): Abraham geloofde G’d, en dat werd hem als rechtvaardigheid toegerekend (Romeinen 4: 2-3).”

Toerekenen
Volgens de bewoordingen van het vers in Genesis werd Abraham rechtvaardigheid toegeschreven door G’d, omdat Abraham geloofde in Zijn belofte, dat Hij hem nakomelingen zou geven. Merk op, dat het de tekst van het vers is, en niet het hele verhaal, dat de basis is van Paulus’ midrasj. Vervolgens maakt hij een gezera sjawa (analogie van expressie) argument, door in de verzen 6-8 David te citeren, namelijk Psalm 32:2, “Gelukkig is degene aan wie de Eeuwige zonde niet toerekent.” Gebaseerd op het werkwoord ‘toerekenen’ in beide verzen redeneert Paulus, dat G’d rechtvaardigheid kan ‘toerekenen’ aan iemand, en hij kan ook zonde ‘toerekenen’.

Als een grootboekrekening
Het is alsof G’d een gigantisch grootboek heeft, waarin hij stortingen of opnames op de rekening van iedereen kan vastleggen. Paulus begrijpt dat deze ‘afrekening’ gebaseerd is op ons vertrouwen in G’d, en niet op onze specifieke daden. In 4:22 besluit hij: “Daarom werd zijn geloof hem tot rechtvaardigheid gerekend”. En dan volgt zijn toepassing in 4:23-24, “Nu werden de woorden, ‘het werd hem toegerekend’, niet alleen omwille van hem geschreven, maar ook van ons. Het zal worden toegerekend aan ons die in Hem geloven, die Yeshua, onze Heer, uit de dood heeft opgewekt … ”

Voor Joden en heidenen
Deze midrasj van Paulus stelt ons in staat van Abraham en David te leren, dat G’d Zijn volk geen rechtvaardigheid toerekent op grond van onze uitvoering van mitswot. Onze gehoorzaamheid aan de Tora zou veeleer het resultaat moeten zijn van ons geloof in G’d en ons vertrouwen in Hem en onze liefde voor Hem. Paulus betoogt verder, dat Abraham deze ‘toerekening’ van G’d ontving, voordat de Tora aan Israël werd gegeven, en zelfs voordat Abraham werd besneden. Daarom moet dit principe evenzeer gelden voor Joden als voor heidenen. Volgende keer zal ik enkele voorbeelden geven van de apostelen Ja’akov (Jakobus) en Petrus.

Leib Reuben