Messias Yeshua onderwijst Tenach en halacha
Hoe de rabbijnen en Yeshua de Tenach uitleggen, deel 3

Introductie
In de delen 1 en 2 van deze studie hebben we bekeken hoe Paulus passages van de Tenach in zijn leer heeft gebruikt, evenals de meeste, zo niet alle schrijvers van het Nieuwe Testament, vooral Matteüs. Misschien wel het belangrijkste om te onthouden is, dat de letterlijke betekenis van de tekst slechts een van de vele betekenissen is die allemaal legitiem gebruik van de tekst zijn. Denk aan de PaRDeS uitlegmethode – PaRDeS: Psjat (letterlijke betekenis), Remez (zinspeling of allegorische betekenis), Drasj (exegetische betekenis) en Sod (mystieke betekenis). Wanneer een schrijver de Tenach aanhaalt, vraag dan altijd welke van deze interpretatiestijlen hij gebruikt. In dit deel 3, het laatste deel van deze studie, kijken we naar de nieuwtestamentische auteur Ja’akov (Jakobus) en Kefa (Petrus) en hun manier van omgaan met de Tora.

Ja’akov
Ik vind het grappig dat Ja’akov (Jakobus) hetzelfde vers over Abraham uit Genesis 15:6 gebruikt om te beargumenteren wat klinkt als het tegenovergestelde van de conclusie van Paulus. Eeuwenlang hebben Christelijke bijbeluitleggers geworsteld met deze verzen, omdat ze een simpele waarheid over midrasj niet begrijpen. Het midrasj gebruik van Tenach-verzen leert ons niet automatisch eeuwige waarheid. Midrasj heet de bedoeling de woorden van de Bijbel te gebruiken om een praktische situatie te bespreken. Daarom kan het lijken alsof diverse leraren tegenstrijdige conclusies trekken uit hetzelfde vers, als je hun context niet in overweging neemt. Een dergelijke verwarrende logica bracht Martin Luther er zelfs toe de brief van Jakobus af te wijzen, omdat deze niet overeenstemde met Luthers begrip van Paulus.

Misverstand weerleggen
In werkelijkheid had Paulus te maken met mensen, die niet-Joodse gelovigen probeerden te dwingen de Tora te houden en zich zelfs tot het Jodendom te bekeren. Aan de andere kant sprak Jakobus mensen aan, die geloofden dat Yeshua op de een of andere manier de Tora had geannuleerd. En dat het niet langer uitmaakte of we ons eraan hielden, zolang we maar ‘geloof hebben’. Ik vraag me af of James misschien op de hoogte was van Paulus ‘onderwijs over dit vers, en hetzelfde vers gebruikte om het misverstand van de laatste groep te weerleggen, “Werd onze voorvader Abraham niet uit werken gerechtvaardigd toen hij zijn zoon Isaak op het altaar offerde (zie Genesis 22)? U ziet dat geloof actief was naast zijn werken, en dat geloof werd voltooid door de werken. Aldus werd de Schrift vervuld die zegt (zie Genesis 15:6), Abraham geloofde G’d, en het werd hem als gerechtigheid gerekend. En hij werd de vriend van G’d genoemd. U ziet dat een persoon gerechtvaardigd wordt door werken en niet alleen door geloof” (Jakobus 2:21-24).

Gehoorzaamheid maakt geloof compleet
Jakobus stelt dat, ja, G’d ‘erkent rechtvaardigheid’ jegens een persoon op grond van diens geloof. Maar hoe weten wij of iemand geloof heeft? We zien zijn geloof door de manier waarop hij leeft, door wat hij doet. Net zoals geloof er toe doet, zijn onze daden ook belangrijk. Ze gaan samen. Jakobus besluit zijn argument zelfs door te zeggen, “Want zoals het lichaam zonder geest dood is, zo is ook geloof zonder werken dood” (2:26). Dit argument is een voorbeeld van een van Hillels regels van rabbijnse hermeneutiek (bijbeluitleg): Kajotsé bo mimakom acher – verwijzend naar een andere soortgelijke passage die meer informatie geeft om een ​​regel of wet uit te werken. Jakobus gebruikt Genesis 22, het verhaal van de binding van Isaak, om de betekenis van Genesis 15:6 te onderwijzen: dat geloof niet alleen werkt; gehoorzaamheid maakt het geloof compleet.

Kefa
Zelfs Kefa (Petrus), onze visser uit Galilea die ongetwijfeld veel minder formele Bijbelse training had gehad dan Paulus of James, slaagt erin een ​​gezera sjava samen te stellen om over Yeshua te onderwijzen. Petrus schrijft naar gemeenschappen die vervolgingen en ontberingen ondergaan vanwege hun geloof in Yeshua. Hij verzekert hen, dat ze ondanks de tijdelijke gevolgen, de juiste keuze maken door Yeshua te volgen. Voortbouwend op het woord ‘steen’ schetst Petrus een beeld van de worstelende gemeenschap die wordt gebouwd tot een geestelijke Tempel. Wij zijn de levende stenen, het ‘priesterschap’ en soms ook de ‘offers’. En Yeshua is de zekerheid biedende hoeksteen, “Kom naar Hem [Yeshua], een levende steen, hoewel verworpen door stervelingen, maar toch gekozen en kostbaar in de ogen van G’d. Als levende stenen moeten jullie jezelf laten inbouwen in een geestelijk huis, om een ​​heilig priesterschap te zijn, voor geestelijke offers die aanvaardbaar zijn voor G’d door Messias Yeshua. Want in de Bijbel staat (zie Jesaja 28:16), ‘Zie, ik leg in Sion een steen, een uitverkoren en kostbare hoeksteen. Wie in hem gelooft, zal niet beschaamd worden.’ Voor jullie die geloven, is Hij kostbaar. Maar voor degenen die niet geloven (zie Psalm 118:22) ‘De steen die de bouwlieden verwierpen, is het hoofd van de hoek geworden. En (zie Jesaja 8:14) ‘Een steen die hen doet struikelen en een rots waardoor ze vallen’ (1 Petrus 2:4-8).”

Hoeksteen
Petrus wendt zich tot Jesaja, waar hij de profetie vindt dat G’d zo’n steen in Sion zal plaatsen, uitverkoren en kostbaar voor degenen die geloven. In Jesaja waarschuwt de psjat, het eenvoudige en letterlijke uitlegniveau, de corrupte leiders van Judea dat hun corruptie hen niet zal redden van de aanstaande Assyrische invasie. De hoeksteen verwijst ofwel naar de Tempel, ofwel metaforisch naar de Tora. Zoals we hebben gezien, is de psjat bij het gebruik van een vers uit de Tenach om een ​​midrasj te maken, niet noodzakelijkerwijs relevant voor de midrasj-betekenis. Petrus ziet het vers als verwijzend naar Yeshua. En de woorden van Jesaja passen bij wat hij te zeggen heeft tegen de lezers van zijn brief. Dat is echter niet het hele verhaal.

De Romeinse bouwlieden
De woorden “wie gelooft” suggereren dat sommigen het niet zullen geloven en beschaamd zullen worden. Petrus moet uitleggen waarom sommigen die niet geloven, degenen vervolgen die wel geloven. Elders in Jesaja, en ook in Psalmen, vertelt G’d ons meer over deze ‘steen’ die zal helpen de vraag te beantwoorden. Hoewel afgewezen door de bouwlieden, zal het de hoeksteen worden. De bouwlieden waren in dit geval waarschijnlijk zowel de Romeinse als de Joodse autoriteiten. Omdat Petrus aan de Joodse gelovigen in de diaspora schreef (1:1), kwam het grootste probleem waarschijnlijk van de Romeinen. Als er al problemen van Joods leiderschap kwamen, dan zou dat zijn gekomen in de vorm van afwijzing door de synagogen en andere gemeenschapsinstellingen en waarschijnlijk niet van de Tempel, het priesterschap of het Sanhedrin. Maar de steen die ze verwierpen, blijkt een steen te zijn waarop ze zullen struikelen en vallen. We leren dus dat de levende stenen van de spirituele ‘Tempel’ uiteindelijk zullen blijven staan.

Eigen volk
Een laatste voorbeeld voor nu laat zien, dat de schrijvers van het Nieuwe Testament ook de psjat gebruiken bij het citeren van de Schrift. Hier is een passage waarin Petrus zijn volk instructies geeft over hoe om te gaan met de vervolgingen die over hen komen. Hij citeert Psalm 34, een wijsheidspsalm, die door David werd geschreven aangaande de tijd van zijn leven toen hij door koning Saul werd vervolgd. Hoewel David een trouwe dienaar van Saul was, maakte de geestesziekte van de koning deze wantrouwend tegenover David. Om zijn eigen belangen te beschermen, jaagde Saul op David en probeerde hem te doden. In de psalm vertelt David hoe hij ernaar streefde trouw te blijven aan G’d en te doen wat juist is, ondanks het onrecht dat hem werd aangedaan. “Vergeld niet kwaad met kwaad en schelden met schelden. Maar zegen daarentegen. Hiervoor bent u geroepen, om ​​zegen te beërven. Want (zie Psalm 34:12-16) Zij die het leven verlangen en goede dagen willen zien, laten zij hun tong behoeden voor het kwade en hun lippen voor het spreken van bedrog. Laten zij zich afkeren van het kwade en goed doen. Laten zij vrede zoeken en nastreven. Want de ogen van de Eeuwige zijn gericht op de rechtvaardige en Zijn oren zijn open voor hun gebed. Maar het gelaat van de Eeuwige is gericht tegen degenen die slecht doen” (1 Petrus 3:9-12). Hoewel de oorspronkelijke situatie van dit citaat uit Davids leven kwam, is de les tijdloos en toepasbaar op iedereen die trouw wil leven in ongunstige omstandigheden. Petrus neemt de betekenis van de oorspronkelijke woorden, de psjat, en past die toe op de huidige levenssituatie van zijn toehoorders, namelijk de Joodse volgelingen van Yeshua in de diaspora; en hoogstwaarschijnlijk ook op hun niet-Joodse broeders en zusters.

Slotconclusie
Het onderwerp van deze studie in drie delen zou gemakkelijk een bibliotheek kunnen vullen. In mijn korte overzicht heb ik diverse stijlen en methoden van Joodse interpretatie van de Schrift beschreven. Vervolgens heb ik gevraagd of de nieuwtestamentische schrijvers de Tenach op soortgelijke manieren hebben geciteerd. Ik geloof dat ik de overeenkomsten heb aangetoond. Daarom stel ik voor, dat hedendaagse lezers, om het Nieuwe Testament goed te begrijpen, de evangeliën en brieven terug moeten plaatsen in hun oorspronkelijke historische Joodse context., Van daaruit moeten zij beginnen met het interpreteren van de geschriften. Het Nieuwe Testament kent voornamelijk Joodse schrijvers, die aan Joodse lezers schrijven – samen met heidenen die zich bij die gemeenschap hebben aangesloten -, over een Joodse man die volgens hen een Joodse hoop vervult. Het is volkomen logisch, dat er dan naar Joodse communicatiemodellen en Bijbelinterpretatie wordt gekeken, als het raamwerk om de nieuwtestamentische geschriften te begrijpen.

Leib Reuben
Jeruzalem, Israël