Niet de naam van de Eeuwige te onpas gebruiken

G’d van de geesten
In de Tora lezen we deze week – de lezing Pinchas, Num.25:10-30:1 – dat de Eeuwige de G’d is van de geesten van alle levende schepselen. Deze schepselen hebben vervolgens de vrijheid om deze geest ten dienste te stellen van de Eeuwige. Maar ze kunnen er ook voor kiezen om huisvesting te verlenen aan en zich ten dienste te stellen van andere geesten.

 
 
Testen 
Wie boosheid heeft als herkenbaar gedrag zou zich daar eens op moeten laten testen. En wie anderen manipuleert, zijn partner of haar kinderen, moet zich eens laten onderzoeken. Wie steevast een probleem heeft met mensen in autoriteit zou eens beter moeten nagaan wat er speelt. En wie hysterisch gedrag vertoont zou er goed aan doen te kijken of zijn of haar geest nog wel louter en alleen die van de Eeuwige is. Wie over anderen heen walst, zou zich moeten laten nakijken. En wie de naam van de Eeuwige te pas en vaker te onpas gebruikt zou er goed aan doen haar mond te houden.
 
Waarheid en dwaling
Het is Jochanan in zijn bijbelbrief (1 Joh.4:1-6) die zo spreekt over dit testen. Wie zegt in de Eeuwige te geloven zou moeten nagaan of zijn of haar geloof ook werkelijk alle ruimte aan de Eeuwige geeft. Wie zegt in Hem te geloven zou moeten zien of dit alleen maar woorden zijn, of dat er ook een erkenning is van eigen falen, eigen breekbaarheid, en het besef tesjoewa te moeten maken (berouw tonen over gemaakte fouten). Er is een Geest van waarheid en een geest van dwaling, zegt Jochanan.
 
Bescheiden of onbescheiden
Wie de Geest van waarheid heeft zal er bescheiden over zijn. Wie echter de geest van dwaling heeft zal per definitie niet beseffen dat zij of hij op een dwaalspoor zit. De offers, zo nauwkeurig beschreven in deze portie van de week – de Moesaf offers van Sjabbat, Nieuwe Maan en de feesten – kunnen, voor wie het zien wil, de afhankelijkheid van de mens van zijn Schepper aantonen. Hoe meer iemand zich afhankelijk weet van de Eeuwige, des te meer gelegenheid de Geest van waarheid krijgt om het monopolie te hebben over iemands gedrag en karakter.