No’ach

In de sidra Beresjiet zien we in Gen.6:11,12 hoe de geslachten sinds Adam van kwaad tot erger vervielen; in de sidra Noach zien we hoe de aarde werd verdelgd, hoe Noach en de zij-nen werden gered en hoe zijn nazaten de aarde bevolkten. Maar Noach vond genade in de ogen van de Eeuwige (Gen.6:8). Hij was rechtschapen, onberispelijk onder zijn tijdgenoten, leefde naar G’ds wil (Gen.6:9). Noach betekent rust, vertroosting. Zijn naam heeft de getalswaarde 58, net als het woord genade, chen. 58 = 50 + 8. De letter n (noen = 50) staat voor G’ds openbaring: 50 dagen na de uittocht uit Egypte van het volk Israël, na Pesach, gaf Hij de Tora en de Roeach HaKodesj (de Heilige Geest). De letter ch (chet = 8) staat voor de Gezalfde, HaMasjiach.

Noach is ook een verlosser, omdat de aarde door middel van hem is verlost van de boosheid van de mensen toen. In Klaagl.1:16 is ook sprake van een trooster, Menachem, die mijn ziel verkwikken kan. In dit woord zit het woord Noach. In Jes.40:1,2 duidt de Menachem de komende verlossing aan. Yeshua gebruikte deze naam zowel voor Zichzelf als voor de Roeach HaKodesj. In Joh.14:16 zegt Hij: Op Mijn verzoek zal de Vader jullie een andere Trooster sturen, Iemand die altijd bij jullie blijft. In het woord slang, nachasj, ook bekend als de verleider, nachesj, vinden we de letters noen en chet terug, aangevuld met de letter sjin. De getalswaarde van nachasj is 358, wat ook de getalswaarde van de Masjiach is. De slang lijkt in getalswaarde op de ware Messias, hij doet zich voor als het Licht (2 Kor.11:14b).

Ook in het woord nachasj vinden we een schijnbare rust en vertroosting. Broeders en zusters, ik hoef u niet te schrijven over het precieze tijdstip waarop de Dag van de Eeuwige zal komen. U weet zelf maar al te goed dat die Dag komt als een dief in de nacht. Wanneer de mensen zeggen: Alles is rustig en veilig, juist dan overvalt hun plotseling de ondergang, zoals de weeën van een zwangere vrouw, en is er voor hen geen ontkomen meer aan (1 Tess.5:1-3). We zien duidelijk een scheiding van geesten in Gen.17:1 en Openb.12:9. Beide teksten zijn de vervulling van het profetische woord in Gen.3:15 betreffende het Zaad van de vrouw en het zaad van de slang: En Ik zal vijandschap zetten tussen jou en de vrouw, en tussen jouw zaad en haar zaad; dit zal jou de kop vermorzelen en jij zult het de hiel vermorzelen.

In de haftara lezen we dat Israël in Jeroesjalajiem getroost zal worden, waar de vaste rustplaats (makom menoechati) van de Eeuwige is. Zijn vijanden krijgen te maken met Zijn verontwaardiging. Zij worden niet door een vloed verzwolgen, zoals G’d in Gen.9:8-17 toezegt, maar te vuur en te zwaard spreekt de Eeuwige recht over al wat leeft; en talrijk zijn zij die Hij verslaat.