Poeriem: aan de dood ontsnapt

Aan totale vernietiging ontkomen

Poeriem is het feest dat de bevrijding van het Joodse volk viert uit de handen van de Perzische regering onder leiding van koning Achasjverosj (Xerxes I) die in het jaar 3276, dat is 485 voor de gangbare jaartelling (vgj), aan de macht was gekomen. Dat we dit feest nog steeds vieren is vanwege de veel grotere schaal waarop deze bevrijding zich heeft voltrokken. Deze onderdrukking en volkerenmoord had hele serieuze gevolgen gehad, als de Perzische koning succes had gehad. Het had dan wel eens zo kunnen zijn dat de Messias van het Joodse volk, Yeshua, die ook de Messias is van de gelovigen uit de volken, niet geboren was binnen het Joodse gezin waar dat had moeten plaatsvinden. Die hadden er dan niet meer geweest.

Ballingschap onder G’ds regie

Er heeft een grote ballingschap plaatsgevonden onder de verwoestende leiding van de toenmalige regering van Babylon. Koning Jechonja werd in het jaar 3163 (598 vgj) gegijzeld op bevel van de koning van Babylon, Newoekadnetsar (Nebukadnezar). Israël was al bijna drie jaar daarvoor onder de voet gelopen door Babylon en was een satellietstaatje geworden, met Jechonja als stroman: In zijn dagen trok Nebukadnessar, de koning van Babel, op en Jojakim werd hem onderdanig, drie jaar. Maar daarna kwam hij weer tegen hem in opstand (2 Koningen 24:1). Vier jaar daarna, in 3167 (594 vgj), sprak de grote profeet Jeremia zijn onheilsprofetie uit over de zeventig jaren van ballingschap. Ongeveer zeven jaar later, in 3174 (586 vgj) werd de Tempel van Israël verwoest en geplunderd door de Babyloniërs. Deze verwoesting was drie jaar daarvoor door Jeremia voorzegd.

Ester en Mordechai gedeporteerd

In de gijzeling van de koning werden Vips mede gedeporteerd. Onder deze Vips bevonden zich onder meer Mordechai die zich bekommerde over zijn eveneens gegijzelde nichtje Ester: Nu was er in de burcht Sjoesjan een Joodse man, wiens naam was Mordechai, de zoon van Jaïr, zoon van Sjimi, de zoon van Kisj, van Benjamin. 6 Hij was weggevoerd uit Jeruzalem met de ballingen die gedeporteerd waren met Jechonja, de koning van Judea. Nebukadnessar, de koning van Babel, had hen in ballingschap weggevoerd. 7 Hij was de pleegvader van Hadassa (dat is Ester), de dochter van zijn oom. Want zij had geen vader of moeder. Ze was een meisje dat elegant was van gestalte en mooi van uiterlijk. Bij de dood van haar vader en moeder had Mordechai haar als dochter geadopteerd (Ester 2:5-7). Na de verwoesting van de Tempel van Jeroesjalajiem heeft Newoekadnetsar nog 23 jaar geregeerd. In zijn laatste jaren verloor hij alle glorie, pracht en praal die hij had opgebouwd.

Wanneer eindigden de 70 jaar?

De koningen van de omringende volken, die in vele goden geloofden en dus ook in de G’d van Israël, zagen deze afbraak als een vervulling van de woorden van de Joodse profeet. De vraag was: wanneer waren die zeventig jaar precies voorbij. Was het toen Newoekadnetsar zijn troon besteeg, of toen Jeremia zijn profetie uitsprak, of toen de Tempel werd verwoest? Na 23 jaar werd in 3206 (555 vgj) Belsjazar koning van Babylon. Drie jaar later was het zeventig jaar nadat Newoekadnetsar de troon had beklommen. Was de rampspoed nu voorbij? Jeremia had immers gezegd: Ik laat alle generaties vanuit het Noorden komen, zo is het woord van de Eeuwige. Ook Nebukadressar, de koning van Babel, mijn dienaar. Ik breng hen tegen dit land en zijn inwoners, tegen al deze volken rondom. Ik sla hen met de ban en maak hen tot een voorwerp van ontzetting, tot een aanfluiting en tot een eeuwige smaad (Jeremia 25:9). De omringende volken zouden het niet overleven, maar Israël zou hersteld worden. … Deze volken zullen zeventig jaar in dienst komen van de koning van Babel. Na verloop van zeventig jaar zal Ik de zonde van de koning van Babel en dit volk berechten, zo is het woord van de Eeuwige. Ook die van het land van de Chaldeeën. Ik zal dat tot eeuwige woestenijen maken (Jeremia 25:10-12).

Babylon af, Perzië op

Belsjazar rekende zich rijk, ongetwijfeld hierin geassisteerd door dezelfde soort geestelijke, occulte hulpverleners waarmee de leiders van de Romeinse legers en de Duitse legers van de tweede wereldoorlog werden geadviseerd. Uit aangeprate vreugde liet hij de gouden drinkbekers en andere voorwerpen van de heilige Tempel van Israël naar zijn burcht brengen. Zijn gezelschap zou de maaltijd en het feest van hun leven meemaken. Die avond verschenen er schrijvende vingers van een hand op de muur, zoals we kunnen lezen in Daniël 5:5 en 25. En diezelfde nacht in het jaar 3223 (538 vgj) werd ging het Babylonische rijk ten onder met de succesvolle moordaanslag op Belsjazar. Jeremia had gelijk, maar zeventig jaar waren nog niet om en de Joden konden dus nog niet op alia. De nieuwe wereldmacht was Perzië en de woorden van Daniël werden daarmee bewaarheid, zie onder meer 2:39.

Achasjverosj is hoofdpijn

Darius was de eerste Perzische koning. Israël probeerde de telling goed uit te leggen, maar het was moeilijk te accepteren dat ze nog niet mochten vertrekken. De schoonzoon van Darius, Cyrus, was de tweede koning. In 3183 (578 vgj) regeerde hij twee jaar: zeventig jaar na de profetie van Jeremia. Was dit het tijdstip? Wel voor Cyrus die geen risico wilde nemen en opdroeg tot de herbouw van de Tempel van die machtige G’d van de Joden. De verwoesting lag toen 53 jaar achter hen. Maar Cyrus stierf en hij werd opgevolgd door koning Achasjverosj (“pijn in je hoofd”) in 3275 (486 vgj). Achasjverosj rekende zich in 3278 echt een stevige hoofdpijn, want hij trok de conclusie dat de zeventig jaar om waren, ongeveer gerekend vanaf de gijzelname van koning Jechonja. Vandaar dat Achasjverosj zo een groot feest vierde in dat derde jaar van zijn regering, zie Ester 1:3, waarop hij zijn koninklijke echtgenote Vasjti om het leven bracht.

Een Jood op de Perzische troon

Hij trouwde met zijn nieuwste aanwinst, Hadassa, die de Perzische naam Ester had gekregen. Hun zoon, geboren in 3331 (430 vgj), werd naar de eerste Perzische koning vernoemd: Darius II. Hij was zes jaar toen zijn vader stierf en hij koning moest worden. Met een Joodse moeder was deze koning een Jood. Hij wist dat zelf ook. En in zijn achtste levensjaar, in 3339, geeft hij de opdracht om de Tempel te herbouwen en de Joden in Perzië naar Israël te laten terugkeren. Het is een zwakke herinnering aan wat Mosjee heeft betekend voor Israël en een voorteken dat ooit een Joodse koning Israël naar de uiteindelijke totale overwinning zal leiden. Ook Mordechai vervulde zo een reddende rol, door in samenwerking met zijn nicht het Joodse volk te redden van de ondergang, zoals we kunnen lezen in het boek Ester. De vernietigende haat van mensen als Newoekadnetsar, Belsjazar en Haman die 66 jaar na de verwoesting van de Tempel was geëxecuteerd toont hoe graag machten van duisternis een einde zouden maken aan het bestaan van Israël, door dit soort gewillige marionetten. Maar als klokwerk is de precisie van de Eeuwige die elk door Hem uitgebracht woord tot vervulling brengt. Want precies 70 jaar na de verwoesting van de Tempel mocht Israël terug haar land.

Lion S. Erwteman, Rosj Kehilla van Beth Yeshua