6 mythen en feiten rondom Poeriem

Misverstanden rondom Poeriem

Je hoort hier en daar over het Joodse Poeriem de gekste opmerkingen. Hier komen zes van die mythes, gevolgd door de feiten.

Mythe 1: “Ester was toevallig in Perzië. Ze had daar niets te zoeken.”

Feit 1: Israël was door de dictator van het Babylonische rijk, Nebukadnezar, overvallen. De Tempel was geplunderd en verwoest. En het volk was gedeporteerd, verkracht, vermoord, of – wie de invallen overleefd had – verjaagd. Dat Babylonische rijk werd overmeesterd door de minstens zo gewelddadige Perzen. En de Joden die nog in Babylon leefden, maakten de machtswisseling mee en zagen een nieuw kabinet van Perzische ministers en hun koning, de plaats innemen van de oude Babylonische ploeg. Onder de gedeporteerden bevond zich ook Ester, die begeleid en beschermd werd door haar oom Mordechai.

Mythe 2: “De Joden hebben een slachtpartij aangericht onder de Perzische bevolking, terwijl ze daar juist beschermd leefden en gastvrij mochten wonen.”

Feit 2: Het was onder de Perzische machthebber Ahasveros (Xerxes) dat Ester koningin was geworden. Zij merkte door de scherp politiek bewuste Mordechai, haar oom, dat de Eerste Minister, de heer Haman, een nationaal plan voor de vernietiging van alle Joden had opgesteld. Politie, leger en plaatselijke knokploegen stonden klaar om het volk Israël de nek om te draaien. Op het nippertje mochten de Joden, door ingrijpen van koningin Ester, zich verdedigen. Tijdens de korte burgeroorlog die toen uitbrak, zijn er vele doden gevallen. Geen onschuldige Perzische burgers, maar gewapende moordenaars die slechts één doel hadden: alle Joden uitmoorden. Laten we oorzaak en gevolg goed uit elkaar houden. Het is de Eeuwige van Israël, die in het Boek Ester over het algemeen onzichtbaar is, maar die toen, tijdens die verdedigingsaktie, ingreep. Zo maakte G’d zich zichtbaar, zo zichtbaar als maar mogelijk was.

Mythe 3: “De Joden hadden het de Perzen moeten vergeven en hen de andere wang moeten toekeren. In plaats daarvan hebben de Joden wraak genomen en misbruik gemaakt van de situatie.”

Feit 3: Ik ben blij dat in de Tweede Wereldoorlog dappere verzetsmensen niet vergeving hebben toegepast en niet de andere wang hebben toegekeerd naar de vijand van Nederland. Vergeving is noodzakelijk en geboden, wanneer de andere partij zich van zijn fouten bewust is. Of wanneer die ander al overleden is. Vergeving kan zelfs plaatsvinden, wanneer de situatie nog niet is opgelost. Maar het kwaad moet tegelijkertijd gekeerd worden. Anders zijn we medeplichtig. In het Boek Ester staat: “En de overige Joden in de gewesten van de koning verzamelden zich en verdedigden hun leven; en ze kregen rust van hun vijanden. Zij doodden onder hun haters vijfenzeventigduizend, maar zij staken hun handen niet uit naar de buit” (Ester 9:16). Het was dus geen wraak, het was pure zelfverdediging tegen een massieve vijand die wilde moorden.

Mythe 4: “Mordechai weigerde respect te tonen voor Eerste Minister Haman van Perzië. Had Mordechai dat respect wel getoond voor een van de belangrijkste gezagsdragers van Perzië, dan had hij zijn volk grote ellende bespaard.”

Feit 4: Wat Mordechai weigerde te doen was niet gewoon buigen voor Haman. Hoe zou u het vinden om voor een regeringspersoon op de grond te moeten gaan liggen, hoofd naar beneden, als een teken van onderwerping en aanbidding. Want let op, de Perzen dachten dat hoge regeringsleiders afstamden van goden. Egyptenaren en Romeinen dachten dat ook. Mordechai weigerde om een mens te aanbidden. De Tien Geboden (Asseret Hadibrot) verbieden inderdaad om een mens te aanbidden. Mordechai had groot gelijk en zou in overtreding zijn geweest, als hij de heer Haman had aanbeden.

Mythe 5: “Het Joodse Poeriem is een soort carnaval. Leuk als feestje, maar niet waardig voor het volk dat zich uitverkoren noemt.”

Feit 5: Poeriem is beslist niet een gewoon carnaval te noemen. Poeriem is de herdenking van de bevrijding van Israël uit de klauwen van een van de bloedigste moordenaars uit de geschiedenis van het Joodse volk. De Eeuwige is niet zichtbaar geweest, zoals Hij dat in andere tijden, bijvoorbeeld bij Abraham en Mozes wel is geweest. Dat was bijna de reden om het boek niet in de Bijbel te laten opnemen. Het is een van de redenen om met een masker rond te lopen op Poeriem: G’d zelf is gemaskerd en wil zich opnieuw laten vinden. En soms zijn grote moeilijkheden daarbij een duw in de goede richting. Een andere reden voor de verkleedpartij op Poeriem is dat Israël niet weggevaagd werd, maar beschermd bleef, vast en zeker door de hand van de Eeuwige. G’d greep in en beschermde ons, juist omdat Israël Zijn uitverkoren volk is.

Mythe 6: “De Joden zouden gewoon mee moeten doen met het Nederlandse tijdstip van carnaval. Ze hebben hun eigen tijdstippen voor hun feesten en dat is fout.”

Feit 6: Het tijdstip van Poeriem is in de Bijbel vastgesteld. Door mensen zijn later veranderingen aangebracht in de tijdstippen van de Joodse feesten. Pasen is daar een voorbeeld van. Om maar niet te spreken van de datum van de geboorte van de Messias van Israël, die later is veranderd naar 25 december, in plaats van ergens in de maand september. Poeriem is niet gewoon carnaval. En data zijn voor de Eeuwige van groot belang. Zie Leviticus (Wajikra) hoofdstuk 23, vers 2: “…De vastgestelde feesttijden van de Eeuwige, die jullie als een oproep tot heilige samenkomsten moeten afkondigen, dat zijn Mijn feesttijden.” Wat G’d vaststelt mag de mens niet veranderen. Daniël waarschuwt daar al tegen: “Hij [het vierde dier, n.l. het Romeinse rijk] zal woorden spreken tegen de Allerhoogste en de heiligen van de Allerhoogste te gronde richten. Hij zal er op uit zijn tijden en de Wet te veranderen …” (Daniël 7:25). De Joden hanteren dus juist de bijbelse tijdstippen, die niet door mensen zijn bepaald.

Lion Erwteman