Zomer

Op 20 juni is de zomer begonnen. Die datum kan verschillen. Het is de langste dag van het jaar. Vanaf nu gaan de dagen weer korter worden. De seizoensverschillen komen voort uit de schuine stand van de as waar de aarde om draait. Inderdaad geloven wij dat de aarde een bol is. Door de schuine as ten opzichte van de zon komt de zon op het noordelijk halfrond in de zomer hoger boven de horizon dan in de winter. De zon schijnt daardoor in de zomer langer dan in de lente, herfst en winter.

Hoe noordelijker, hoe korter de zon boven de horizon staat. Zelfs binnen onze landgrenzen is dat verschil in daglengte al merkbaar. In het gebied noordelijk van de poolcirkel is de zon gedurende een paar maanden in het geheel niet zichtbaar.

Om praktische redenen en volgens internationale afspraak gebruiken de weerkundigen voor het berekenen van klimatologische gemiddelden een andere seizoensindeling. De Societas Meteorologica Palatina is één van de eerste internationale weerorganisaties. Deze organisatie besloot in 1780, onder leiding van de Duitse keurvorst Karl Theodor, om steeds drie opeenvolgende kalendermaanden als één seizoen te beschouwen.

De astronomische herfst begint rond 21 september en de meteorologische herfst al op 1 september. Zo duren alle seizoenen precies drie maanden. De zomer bestaat dan uit de drie warmste maanden (juni, juli en augustus), de winter uit de drie koudste (december, januari en februari). De lente en herfst zitten daar tussenin. (met dank aan het KNMI).

Voor het leven op aarde is de zon van groot belang. De afstand van onze planeet tot de zon is precies goed. De locatie van Aarde is de “goldy locks position”, precies goed, niet te heet en niet te koud. Echter in het Nieuwe Jeruzalem komt de zon niet voor. “De stad heeft de zon en de maan niet nodig om haar te beschijnen, want de heerlijkheid van de Eeuwige verlicht haar. Het Lam is haar licht” (Openbaring 21:23).