Re’ee

Deuteronomium is een verrijkende samenvatting van het verloop van de tocht van de Israëlieten door de woestijn, op weg naar het Beloofde Land. Een nauwkeurig reisverslag met beschrijvingen van de overwinning die de Eeuwige voor Israël heeft behaald. Daaruit voortvloeiend ook de inprenting, de herinnering dat de Eeuwige, de G’d van Awraham, Jitschak en Ja’akov (Abraham, Isaak en Jakob), het is geweest die bevrijding heeft bewerkstelligd uit de slavernij in Egypte. In Dewariem 11:3-4 lezen we wat Hij deed met het leger van Egypte.

Als het over afgoderij gaat, is de Eeuwige heel duidelijk in Dewariem 12:2-4. Een enorm grote opruiming, want Hij verwelkomt Israël in Zijn huis vanaf vers 5, en dat zal de Tempel in Jeroesjalajiem (Jeruzalem) blijken te zijn. Het is een ingrijpend voorbeeld, dat we ook mee mogen nemen naar ons leven nu. Durven we grondig en drastisch af te rekenen met zaken die ons in hun macht houden? Durven we hier kritisch in te zijn en scherp? Dat aangaande: kunnen we ook de gevolgen dragen? Het zijn geen zaken die we in eigen kracht hoeven te doen, omdat de Eeuwige achter onze keuzes zal staan wanneer we deze maar gegrond zien aan wat Hij van ons verwacht.

In Dewariem 13 lezen we over hoe we om moeten gaan met afgoderij en de verleiding daartoe. Hoofdstuk 14:3-21 gaat over reine en onreine dieren: wat kunnen we eten en wat niet? Informatie over het Sjabbatsjaar en voorschriften met betrekking tot slaven vinden we in hoofdstuk 15. En in hoofdstuk 16 gaat het over de drie hoge feesten: Pesach, Sjawoeot (Wekenfeest) en Soekot (Loofhuttenfeest). Drie momenten om voor de Eeuwige te verschijnen, maar niet met lege handen: “Maar hij zal dan niet met lege handen voor het aangezicht van de Eeuwige verschijnen: ieder naar zijn vermogen, naar de zegen die de Eeuwige, jullie G’d, jullie gegeven heeft.” En dan nog zal dit maar een fractie zijn vergeleken met de zegeningen die de Eeuwige ons geeft. Besef dat niets goed genoeg is voor de G’d van Israël.

De Eeuwige laat Zijn trouw voor Israël steeds weer zien. Ondanks de misstappen van Israël heeft Hij nooit gekozen voor een ander volk. We zouden geen genoegen moeten nemen met de eenvoud in de zaken die te maken hebben met Zijn heiligheid. We moeten de Eeuwige het beste en het mooiste geven wat we bezitten. Jesaja schrijft over de grootheid van de Eeuwige en Zijn bescherming in hoofdstuk 54 vanaf vers 15 van zijn boek: “Valt men heftig aan, dan gaat dat van Mij niet uit; wie jullie aanvalt, zal over jullie vallen.” En in vers 17: “Elk wapen dat tegen jullie gesmeed wordt, zal niets uitrichten, en elke tong die zich voor het gericht tegen jullie keert, zullen jullie in het ongelijk stellen.” Ons vertrouwen stellend op de Eeuwige mogen we dus zeker zijn van Zijn bescherming.