Beresjiet

Onmiddellijk nadat HaSjem de hemelen (שמים, sjamajiem, meervoud) en de aarde geschapen, niet gescheiden, heeft, staat geschreven dat de aarde תהו ובהו, tohoe wawohoe, een braakliggende wildernis was (B’resjiet/ Genesis 1:2). De aanduiding ‘braakliggend’ impliceert duidelijk dat er nog wat moet gebeuren. Niet dat het een verwilderde afbraak is geworden vanuit een eerdere wereld, maar een jonge, prille en nog ongevormde wereld. Zodra HaSjem het licht tot aanzijn riep (vs. 3) vermengde het zich met de aanwezige duisternis en brengt Hij scheiding aan (vs. 4).

Dit aanbrengen van scheiding in de door de Eeuwige geschapen wereld houdt verband met het doel voor wie de aarde geschapen werd: de mens. In 2:16-17 krijgen we ons eerste gebod: niet eten van de boom van de kennis van goed en kwaad; ongehoorzaamheid zal degeneratie tot gevolg hebben. In bepaald opzicht kunnen licht en duisternis als tegenhanger gezien worden van goed en kwaad. Het feit dat het tot aanzijn geroepen licht zich direct vermengde met de aanwezige duisternis, laat zien dat HaSjem wel raad weet met hoe hiermee om te gaan in tegenstelling tot wij, die niet geschapen zijn om op de juiste manier om te kunnen gaan met zo’n vermenging.

In overeenstemming met Dewariem/Deuteronomium 13:4(3)b hoort bij een gebod ook een test om te zien of we de achterliggende reden van dat gebod ook begrepen hebben: “Want de Eeuwige, onze G’d, test ons om te weten te komen of we Hem werkelijk liefhebben met heel ons hart en vanuit ons hele wezen.” En daarom moesten we getest worden door onze Tegenstander – via de slang – op dat ene gebod dat we hadden gekregen. Je kunt dit vergelijken met een uitvinder die zijn prototype test om te weten of de uitvinding doet waarvoor ze gemaakt is. Helaas zakten wij voor onze eerste test, met desastreuze gevolgen. Gelukkig heeft Abba ons ervoor beschermd dat we ook nog zouden eten van de boom van eeuwig leven door ons uit Gan Eden weg te sturen (3:22b-24).

In de vrijmetselarij worden deze zaken volledig anders beschouwd. Vanuit hun lijfspreuk ‘Ken uzelf en word wie u bent’, wordt kennis als de belangrijkste sleutel tot onsterfelijkheid gezien. Het is als kijken naar een foto of naar het bijbehorende negatief: de lichte kleuren op de foto zijn donker op het negatief en omgekeerd. Zo wordt HaSjem daar ook niet als de juiste G’d beschouwd, maar juist onze Tegenstander, want Satan (die in de vrijmetselarij beschouwd wordt als een voormalige engel die Lichtdrager was – vandaar de naam ‘Lucifer’) was immers degene die ons erop wees dat eten van de boom van de kennis van goed en kwaad ons zou maken als G’d, kennende goed en kwaad (3:5,22a).

En omdat HaSjem ons ook nog verhinderde om te eten van de boom van eeuwig leven, denkt men dat eten van die ene boom, waarvan we niet mochten eten, geheime informatie oplevert. In hun optiek hebben we er eigenlijk niet genoeg van gegeten. En omdat Lucifer volgens hen degene is die het beste met ons voorheeft, ligt in de tempels van de vrijmetselarij de Bijbel open bij Jochanan/Johannes 1, daar waar het juist over Het Licht gaat. Hoe pervers.