B’ha-alotcha

Herkenbaar toch, het gepraat van Mirjam en Aharon (Aäron) in Numeri 12! Onderdrukte gevoelens van jaloersheid, die zo maar bovenkomen. De kritiekzucht slaat toe, je ondermijnt welbewust het gezag van de leider. Aanklachten, eerst stiekem gefluisterd, blijven niet uit en doen hun vernietigend werk (vergelijk 1 Timoteüs 5:19). Mirjam is jaloers op het feit dat de Eeuwige Mozes zeer bevoorrecht heeft. Zij zal Aharon bepraat hebben. Die had ook in de geschiedenis van het gegoten gouden kalf al laten zien zich makkelijk te laten meenemen (Sjemot, Exodus 32:1-4a).

Samen maken ze aanmerkingen op Mosjee vanwege zijn huwelijk met een niet-Israëlitische vrouw. Maar dit is slechts een uitlaatklep voor een ergernis die veel dieper zit. “Mosjee doet net of de Eeuwige alleen maar door hém gesproken heeft” (vers 2a). Ze zullen hun opstandige woorden tegen Mosjee wel aan de aanzienlijke oostkant van de Tabernakel uitgesproken hebben. Daar, bij de ingang van de Tabernakel, was immers de plaats van dit drietal. Dat waarschijnlijk vanwege de mededeling in vers 2b: “En de Eeuwige hoorde dit.”

We lezen niet dat Mosjee zich gaat verdedigen. Hij verdraagt hun onbillijke verwijten blijkbaar stilzwijgend (vergelijk vers 3). Maar de Eeuwige verdraagt ze niet. Meteen grijpt Hij in. G’d leest Mirjam en Aharon goed de les. Hij laat hun het grote verschil zien tussen hen en Mosjee. Zij zijn slechts gewone profeten.

Maar Mosjee is Zijn heel bijzondere profeet, Zijn vertrouweling, aan wie Hij de bouw van Zijn hele huis toevertrouwd had (verzen 6 t/m 8; zie ook Hebreeën 3:1-6). Mirjam wordt gestraft met ‘melaatsheid’, wat niet hetzelfde is als lepra nu. Bij ‘melaatsheid’ ligt een onmiddellijk verband tussen een bepaalde overtreding en een specifieke straf van G’d.

‘Melaatsheid’, tsara’at, is een door de Eeuwige toegebrachte slag of plaag als straf op roddel e.d. Hij had deze ziekte gesteld tot een symbool van de dood. “Laat Mirjam niet als een doodgeboren kind blijven, waarvan het lichaam al half vergaan is als het uit de moederschoot komt!” roept Aharon uit in vers 12. Mirjam was symbolisch dood.

Door haar symbolische dood predikt de Eeuwige: “Wie zich onttrekt aan Mijn dienaar Mosjee, onttrekt zich aan heel het werk van levensvernieuwing dat Ik op de Sinai voor Israël ben begonnen en vindt onherroepelijk de dood.” De Eeuwige wil dat we ons onderwerpen aan Zijn Dienaar Yeshua, de Messias, aan Zijn Woord en aan allen die Hij boven ons gesteld heeft: ouders en andere leiders. Alleen dan is er leven.