B’ha-alotcha

Selectie en uitleg uit de lezingen voor B’ha-alotcha

 

Tora Numeri 9:9-14 uit 8:1-12:16

De Eeuwige zei tegen Mosjee: Zeg tegen de Israëlieten: Als iemand onrein is doordat hij een dode heeft aangeraakt, en ook als iemand een verre reis maakt, moet hij toch mijn Paasfeest vieren. Dat geldt voor jullie en voor alle families na jullie. In de tweede maand, op de veertiende dag, in de avondschemering, moet men het vieren, met ongezuurde broden en bittere kruiden moet men het eten. Men mag niets ervan laten overblijven tot de volgende morgen; en geen been eraan breken. Men moet het helemaal volgens de inzetting van Pesach vieren. Iemand die rein is, en niet op reis, en nalaat Pesach te vieren, die moet verwijderd worden uit zijn volksgenoten, omdat hij op de daarvoor bepaalde tijd de offergave van de Eeuwige niet heeft gebracht. Die moet zijn overtreding dragen. Wanneer bij jullie een niet-Jood is, die voor de Eeuwige Pesach wil vieren, dan moet hij het vieren volgens de inzetting van Pesach en de verordeningen, die daarop betrekking hebben. Dezelfde inzetting moet voor jullie gelden, zowel voor de niet-Jood als voor de in het land geborene.

Haftara: Zacharia 4:1-4 uit 2:14-4:7

De engel die steeds met mij sprak, kwam opnieuw bij mij. Hij maakte me wakker op de manier zoals je iemand die slaapt, wakker maakt. Hij vroeg mij: Wat zie je? Ik antwoordde: Ik zie een kandelaar, helemaal van goud. Bovenop de voet van de kandelaar is een kruikje met olie. De kandelaar heeft zeven olielampen en zeven buizen die naar de zeven lampen gaan.  Naast de kandelaar en het kruikje staan twee grote olijfbomen, één links en één rechts.  En ik vroeg aan de engel die met mij sprak: Eeuwige, wat betekent dit?

Beriet Chadasja: 2 Korintiërs 10:1-6

Ik wil jullie iets vragen met alle geduld en vriendelijkheid die Messias Yeshua ook heeft. De mensen zeggen namelijk over mij dat ik verlegen ben als ik bij jullie ben, maar dat ik op een afstand een grote mond tegen jullie durf te hebben. Wat ik jullie wil vragen is dit: zorg ervoor dat ik, ook wanneer ik bij jullie kom, niet streng tegen jullie zal hoeven te zijn. Ik zal alleen streng zijn tegen de mensen die zeggen dat ik alleen maar op mijn eigen belang uit ben. Want we zijn wel gewone mensen die in deze wereld leven, maar we gebruiken niet menselijke redenaties en argumenten, met alle beperkingen. De middelen die we toepassen voor onze strategie zijn niet menselijk, maar geestelijk. Het zijn sterke middelen van de Eeuwige, om geestelijke bolwerken (zie onder), leerregels en tradities af te breken. Wij breken dat soort redeneringen af (denk aan zelfafbraak, uitzichtloosheid) en ook elke arrogante houding die zich verheft tegen de kennis van de Eeuwige. Wij benoemen dat soort gedachten om die vervolgens te leiden tot gehoorzaamheid aan de liefde van de Messias. We staan gereed om op elke gemiste aandacht in gelijke mate te reageren, steeds wanneer jullie medewerking het hoogste niveau haalt.

Geestelijke bolwerken: hardnekkig denkpatroon of overtuiging in strijd is met  G’ds leven biedende openheid, waarin iemand zichzelf mentaal en emotioneel heeft ingegraven. Het functioneert als een onzichtbare gevangenis die iemands handelen, denken en geestelijke groei belemmert. Zoals: diepgewortelde leugens over jezelf, zoals “Ik ben waardeloos”, “Ik kan dit niet”, of “Niemand houdt van mij”. Ook zoals aangeleerde negatieve copingmechanismen zoals angst, verslavingen, bitterheid, perfectionisme of cynisme. Omdat deze gedachten er al lang zijn, voelen ze normaal en “beschermen” ze iemand tegen verandering of kwetsbaarheid. In werkelijkheid isoleren ze je en verhinderen ze je vooruitgang en genezing. Denk aan pijn in je been, die je opvangt met je andere been, met als resultaat: twee manke benen. De geestelijke aanpak waar Paulus het over heeft, is het eerlijk benoemen van problemen, van jezelf en indien nodig en toegestaan van een ander. Met de liefdevolle hoop op verbetering en oplossing.


Lion Erwteman over B’ha-alotcha

De brute Romeinse – later geannexeerde Roomse – roof van de Joodse Tempelkostbaarheden, waarover zoveel te doen is in de weektekst B’ha’alotcha! Waaronder de gouden Tempelkandelaar. Trots weergegeven in de ruim 15 meter hoge marmeren ereboog, de boog van generaal en later keizer Titus, verantwoordelijk voor de verwoesting van de Tempel in Jeruzalem in het jaar 70 en voor de daarop volgende, 2000 jaar durende verstrooiing van het het Joodse volk.

De boog staat op het Forum Romanum in Rome, Italië, klik hier. De boog staat vlakbij het Colosseum, waar uitzinnige Romeinse mensenmassa’s pret hadden vanwege de gevechten tussen onbeschermde gevangenen en leeuwen of bewapende gladiatoren. Over kunstroof gesproken.

Meer over de Toratekst. Herkenbaar is het geklets van Mirjam en Aharon (Aäron) in Numeri 12 over hun broertje Mozes! Onderdrukte gevoelens van jaloersheid, die zo maar bovenkomen. De kritiekzucht slaat toe, je ondermijnt welbewust het gezag van de leider.

Aanklachten, eerst stiekem gefluisterd, blijven niet uit en doen hun vernietigenden karaktermoordende werk. Mirjam is jaloers op het feit dat de Eeuwige Mozes zeer bevoorrecht heeft. Zij zal Aharon bepraat hebben. Die had ook in de geschiedenis van het gegoten gouden kalf al laten zien zich makkelijk te laten meenemen (Exodus 32:1-4).

Samen maken ze aanmerkingen op Mosjee vanwege zijn huwelijk met een niet-Israëlitische vrouw. Maar dit is slechts een uitlaatklep voor een ergernis die veel dieper zit. “Mosjee doet net of de Eeuwige alleen maar door hém gesproken heeft” (vers 2a). Ze zullen hun opstandige woorden tegen Mosjee wel aan de oostkant van de Tabernakel uitgesproken hebben. Daar, bij de ingang van de Tabernakel, was immers de plaats van dit drietal. Dat waarschijnlijk vanwege de mededeling in vers 2b: “En de Eeuwige hoorde dit.”

We lezen niet dat Mosjee zich gaat verdedigen. Hij verdraagt hun onbillijke verwijten blijkbaar stilzwijgend, vergelijk vers 3. Maar de Eeuwige verdraagt hen niet. Meteen grijpt Hij in. G’d leest Mirjam en Aharon goed de les. Hij laat hun het grote verschil zien tussen hen en Mosjee. Zij zijn slechts gewone profeten. Maar Mosjee is G’ds zeer bijzondere profeet, Zijn vertrouweling, aan wie Hij de bouw van Zijn hele huis toevertrouwd had (verzen 6 t/m 8; zie ook Hebreeën 3:1-6). Mirjam wordt gestraft met ‘melaatsheid’, wat niet hetzelfde is als lepra nu. Bij ‘melaatsheid’ ligt een onmiddellijk verband tussen een bepaalde overtreding en een specifieke straf van G’d.

‘Melaatsheid’, tsara’at, is een door de Eeuwige toegebrachte slag of plaag als straf op roddel en dergelijke. Hij had deze ziekte gesteld tot een symbool van de dood. “Laat Mirjam niet als een doodgeboren kind blijven, waarvan het lichaam al half vergaan is als het uit de moederschoot komt!” roept Aharon uit in vers 12. Mirjam was symbolisch dood. Maar de straf was uit zorg en liefde toegediend en ze kwam er goed uit, met een beter karakter dan daarvoor.

Door haar symbolische dood proclameert de Eeuwige: “Wie zich onttrekt aan Mijn dienaar Mosjee, onttrekt zich aan heel het werk van levensvernieuwing dat Ik op de Sinai voor Israël ben begonnen en vindt onherroepelijk de dood.” De Eeuwige wil dat we ons onderwerpen aan Zijn Dienaar Yeshua, de Messias, aan Zijn Woord en aan allen die Hij boven ons gesteld heeft: ouders en andere leiders. Alleen dan is er leven.

Sjabbat sjalom,
Lion Erwteman
Beth Yeshua, Amsterdam