Onderwerpen:
Onderwerpen:
Selectie en uitleg uit de lezingen voor Sjmini Atseret en Simchat Tora
Tora 1: Deuteronomium 15:12-17 uit 14:22-16:17
12 Als een volksgenoot aan jou is verkocht, Joodse man of vrouw, dan moet deze jou zes jaar dienen. In het zevende jaar echter moet je deze vrij laten vertrekken. 13 En als je hem of haar vrij laat vertrekken, mag je deze niet met lege handen laten gaan. 14 Je moet hem of haar overvloedig geven van je kleinvee, je dorsvloer en je wijnpers. Waarmee de Eeuwige jouw G’d, jou gezegend heeft, daarvan moet je geven. 15 Je moet bedenken dat je zelf een slaaf geweest bent in het land Egypte, en dat de Eeuwige jouw G’d, jou heeft verlost. Daarom ik geef Ik jou vandaag dit gebod. 16 Maar als hij of zij tegen jou zegt: Ik wil niet bij u weggaan, omdat deze jou en jouw gezin liefheeft en omdat hij of zij het goed bij jou heeft, 17 dan moet jij een priem pakken en die door zijn oor in de deur steken. Dan zal hij voor altijd jouw slaaf zijn. Ook bij jouw slavin moet je het zo doen.
Tora 2: Numeri 29:35-38 uit 29:35-30:1
35 Op de achtste dag moeten jullie een bijzondere samenkomst houden, Jullie mogen dan geen enkel dienstwerk. 36 Jullie moeten als vuuroffer een brandoffer aanbieden, als een aangename geur voor de Eeuwige: één jonge stier, één ram en zeven lammeren van een jaar oud, zonder enig gebrek; 37 en het bijbehorende graanoffer en de bijbehorende gietoffers bij de jonge stier, bij de ram en bij de lammeren, overeenkomstig hun aantal, volgens de bepaling; 38 en als zondeoffer één bok, naast het voortdurende brandoffer, het bijbehorende graanoffer en het bijbehorende plengoffer.
Haftara 1: 1 Koningen 8:57-61 uit 8:54-66
57 Laat de Eeuwige onze G’d bij ons zijn, zoals Hij bij onze vaders is geweest. Laat Hij ons niet verlaten en ons niet in de steek laten. 58 Maar laat Hij ons hart voor zich winnen, zodat wij in al Zijn wegen wandelen en zodat wij Zijn geboden, Zijn verordeningen en Zijn bepalingen, die Hij onze vaders heeft opgedragen, te houden en onderwijzen. 59 Laten deze woorden van mij, waarmee ik voor de Eeuwige heb gesmeekt, dag en nacht dicht bij de Eeuwige onze G’d zijn, zodat Hij rechtvaardigheid biedt aan Zijn dienaar en aan Zijn volk Israël, zoals elke dag dat opnieuw vereist. 60 Dan zullen alle volken van de aarde weten, dat Adonai G’d is en niemand anders. 61 Laat jullie hart helemaal bij Adonai onze G’d zijn, door te wandelen volgens Zijn verordeningen en door Zijn geboden in acht te nemen, zoals op deze dag.
Haftara 2: Prediker 12:1-7
1 Denk aan je Schepper in de tijd dat je jong bent; voordat de slechte tijd komt en voordat de jaren dichterbij komen, waarover je zegt: Ik heb er geen plezier meer in. 2 Voordat je de zon verduisterd ziet, net als het licht en de maan en de sterren, en net zoals de wolken terugkeren na de regen. 3 Dat is de dag, wanneer de bewakers van het huis zelf gaan beven, wanneer de sterke mannen zich zullen krommen en de graanmaalsters ermee stoppen, omdat ze met te weinig mensen zijn, en wanneer zij die uit de ramen kijken, hun glans verliezen. 4 Dat is wanneer de beide deuren die toegang geven tot de straat gesloten worden, wanneer je het geluid van de molen niet meer goed hoort, wanneer de stem van de mannen zo hoog wordt als het geluid van de vogels, en wanneer alle tonen gedempt gaan klinken. 5 Het is wanneer je hoogtevrees krijgt, en je beren op de weg ziet, het is de tijd waarin de amandelboom gaat bloeien, wanneer de sprinkhaan zich voortsleept en de kapperbessen niet meer helpen. De mens is dan naar zijn eeuwig huis aan het gaan; de betaalde rouwklagers doen dan hun taak in de straat. 6 Het is voordat het zilveren koord dat onze ziel aan ons lichaam bindt, wordt losgemaakt en wanneer de gouden oliehouder die G’ds Geest mag omvatten wordt verbrijzeld, wanneer de kruik bij de bron met het Water des Levens stukgebroken wordt en het rad bij de waterput dat zorgt voor hartslag en ademhaling verbrijzeld wordt, 7 wanneer het stof van onze aardse tent terugkeert naar de aarde, waar hetb vandaan was gekomen, en de geest weer terugkeert naar Adonai die deze had uitgeleend.
Beriet Chadasja: Openbaring 20:1-6
1 Ik zag een engel neerdalen vanuit de hemel. In zijn hand had hij de sleutel van de afgrond en een grote ketting. 2 Hij greep de draak, de slang van vroeger, de slechtheid zelf en valse beschuldiger. Hij ketende hem voor een tijd van duizend jaar. 3 Hij wierp hem in de afgrond en hij sloot die af en verzegelde die boven hem, zodat hij de volkeren niet meer zou verleiden, voordat de duizend jaren om waren. Daarna moest hij voor een korte tijd worden losgelaten. 4 Ik zag tronen, en de oudsten in hun witte kleding gingen daarop zitten. Zij kregen rechterlijke macht. Ik zag de zielen van de mensen die onthoofd waren vanwege het feit dat ze getuigd hadden over Yeshua en over het woord van G’d. Zij hadden het beest en zijn beeld nooit aanbeden. Ze hadden het merkteken niet op hun voorhoofd en op hun hand ontvangen. Zij stonden op uit de dood en ze heersten als koningen samen met Yeshua; duizend jaar lang. 5 De overige doden stonden pas op uit de dood nadat de duizend jaren voorbij waren. Dit is de eerste opstanding. 6 Gelukkig en heilig is degene die deelheeft aan de eerste opstanding. Over hen heeft de tweede dood geen macht. Zij worden priesters van Adonai en van Yeshua. Zij zullen met Hem als koningen heersen, in die duizend jaar.
Lion Erwteman over Sjmini Atseret, Simchat Tora
In onze Soeka, onze Loofhut, mogen we genieten van de vruchten van de najaarsoogst. Vruchten van het afgelopen jaar. Terwijl je in je Soeka zit kun je nadenken over het afgelopen jaar. Hoe ben ik gegroeid in mijn overgave aan Yeshua? Welke vruchten kan ik in mijn leven terugvinden? Liefde? Blijdschap? Vrede? Geduld? Vriendelijkheid? Goedheid? Geloof? Zachtmoedigheid? Zelfbeheersing? Zie de lijst in Galaten 5:22. Welke vruchten zou ik komend jaar meer willen cultiveren?
Het is een opdracht om je tijdens Soekot te verheugen. Verheug je over alle goede dingen die G’d heeft gedaan (Filippenzen 4:4-9). Ervaar de vreugde die Hij je geeft met iedere vezel van je wezen, mediteer over Filippenzen 4:13, Ik ben tegen alles bestand door hem die mij kracht geeft. Mocht het regenen, realiseer je dat ook de regen en zegen van G’d is, nodig om vrucht te dragen. Hij verkwikt mijn ziel (Psalm 23). G’d doet alle dingen meewerken, ten goede van hen die Hem liefhebben (Romeinen 8:28).
Daarbij wuiven we in de Soeka onze Loelav naar het oosten, zuiden, westen, noorden naar boven en naar beneden. Waarmee we proclameren: Hoor Israël, de Eeuwige is onze G’d, de Eeuwige is één. En hoor het woord van god, volken. Hij die Israël verstrooide , zal het verzamelen en het behoeden als een herder zijn kudde. Want de Eeuwige maakt Jakob vrij en verlost hem uit de macht van wie sterker is dan hij (Jeremia 31:10, 11). Dan verheugt het meisje zich in de reidans, jongelingen en grijsaards samen. Ik verander hun rouw in vreugde, ik troost en verblijd hen na hun smart (vers 13).
We zien uit naar de vervulling van de belofte van de Eeuwige in Jesaja 2:2 en Zacharia 14:16, 17 en mogen dan heel dicht bij Hem zijn, zoals Mosjee. Kijk, bij Mij is een plaats, waar jij op de rots kunt staan (Exodus 33:21). Daar sloot G’d een verbond met Israël (Exodus 34:10), een verbond dat steeds opnieuw werd vernieuwd (Deuteronomium 29:13, 14, Jozua 24:15-17, Jeremia 31:33). Een verbond waarbij de Eeuwige Zijn Tora in onze harten schrijft. Dan zullen zij allen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, luidt het woord van de Eeuwige, want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken (Jeremia 31:34).
En hij toonde mij een rivier van levend water, helder als kristal die ontspringt uit de troon van G’d en van het Lam. Midden op haar straat en aan weerszijden van de rivier staat het geboomte van het leven, dat twaalf keer vrucht draagt. Iedere maand geeft het vrucht. De bladeren van het geboomte dienen als geneesmiddel voor de volkeren. Niets vervloekts zal er meer zijn. En de troon van de Eeuwige en van het Lam zal daarin zijn en zijn dienstknechten zullen Zijn gezicht zien en Zijn naam zal op hun voorhoofden zijn. …En zij zullen als koningen heersen tot in alle eeuwigheid (Openb.22:1-5).













