Ekev

Dit is de Sjabbat van de tweede troosthaftara. De troosthaftarot beginnen op de eerste Sjabbat na Tisja B’Av en eindigen op de Sjabbat voordat het Feest van Bazuinen begint. Mosjee gaat veder met zijn uitleg van wat hij allemaal geleerd heeft van het onderwijs dat de Eeuwige hem gegeven heeft. En een van de eerste zaken deze week is het niet nalopen van afgoden. Het grote verschil tussen het volgen van afgoden en van de Eeuwige is, dat wie de Eeuwige werkelijk volgt in woord en daad haar en zijn trots aflegt en afhankelijk wordt van de G’d van Israël. En dat wie de afgoden volgt zichzelf verhoogt en diep buigt, ondanks vrome woorden en mooie gebeden en praatjes, voor de afgoden van zelf en hoogmoed, trots en ontoegankelijkheid. Wanneer Mosjee nog eens de ellende van het gegoten kalf noemt voegt hij iets toe aan wat er gebeurde.

Hij zegt: Maar ik nam het voorwerp van jullie zonde, het kalf dat jullie hadden gemaakt, ik verbrandde het met vuur, vergruizelde het en vermaalde het grondig, totdat het tot stof gestoten was. En het stof wierp ik in de beek, die van de berg naar beneden stroomt (9:21). In Exodus 32:20 schrijft hij echter: Daarna nam hij het kalf dat zij gemaakt hadden, verbrandde het in het vuur en vermaalde het, totdat het fijn gestoten was. Vervolgens strooide hij het op het water en gaf dit aan de Kinderen van Israël te drinken. Er zal dus goudstof in het drinkwater zijn gedaan en het overige deel zal in de beek zijn uitgestrooid.

Het feit dat het tot een tweede keer moest komen om de twee Tabletten van steen, de Loechot Habrit, aan Israël te presenteren brengt Mosjee ertoe om uitgebreid te spreken over het hebben van respect, liefde en een houding van dienstbaarheid en het zich werkelijk houden aan alle inzettingen (10:12-13). En dat betekent dat de blokkades die er in mensenharten kunnen komen, verwijderd moeten worden, vindt Mosjee (vs. 16). Anders krijgt de Eeuwige geen ruimte en gelegenheid om iets uit te richten. En dat is zo weldadig, want Hij is, de G’d van de krachten en de Meester over alle goden, de grote. machtige en indrukwekkende G’d, die niet mensen voortrekt en geen geschenken ter omkoping aanneemt. Met zaken als respect, liefde en dienstbaarheid wordt ons hele wezen betrokken in de relatie met de Eeuwige. Het is geen zaak van traditie, van navolging van ouderlijk voorbeeld.

Het is niet alleen maar een gevoelszaak of een verstandelijke aangelegenheid. En het is geen strenge en bevindelijke situatie, waarin de meesten van ons zouden moeten afwachten of er ook bijhoren. De relatie met de G’d van Israël is er een van wederzijdse liefde, van verstand en van emotie en van praktisch handelen. Deze zegen van de Eeuwige komt ons toe, mits we aktief geloven en deelnemen. De parasja heet: Ekev. Dat betekent: mits, op voorwaarde dat. De naam van Ja’akov is er van afgeleid, omdat hij bij zijn geboorte de hiel van zijn oudere broer Esau greep met zijn babyhandje. iets dat plaatsvindt als het gekoppeld is aan iets anders. Je zou kunnen zeggen dat al deze zaken van de Tora nodig zijn om genoemd te worden, omdat we de neiging hebben om met onze hakken in het zand of over de sloot onze geestelijke zaken te behartigen. En dat is niet genoeg. Dus wordt het een voorwaarde. Op die manier worden we een licht voor de volken (zie Jesaja 49:6 en 51:4).