Emor

De Eeuwige maakt duidelijk hoe Hij door de priesters, en in het bijzonder de hogepriester, wil worden gediend in Zijn Heiligdom. Eerst de Tent in de woestijn, de Tabernakel, en later de Tempel in Jeroesjalajiem (Jeruzalem). Telkens opnieuw zegt G’d tegen Mosjee (Mozes): “…want Ik, de Eeuwige, heilig ze.” Wij zijn in onze tijd dat gevoel van G’ds aanwezigheid op de manier die er toen zichtbaar aanwezig was kwijtgeraakt. Helaas is er geen Tempel meer in Jeroesjalajiem. Het moet zeer indrukwekkend geweest zijn om de offers in rook te zien opgaan. Niet zozeer alleen vanwege het verschijnsel, maar veel meer vanwege het feit dat het gebeurde omdat G’d dat Zelf zo heeft gewild en in Zijn Tora heeft laten opschrijven, die Hij aan Mosjee heeft doorgegeven.

Deze dienst aan de Eeuwige moest op een zo heilig mogelijke manier worden uitgevoerd. Hiervoor krijgen de priesters een hele lijst met instructies. Ze mogen zich niet verontreinigen aan een dode, met uitzondering van een direct gezinslid. Voor de hogepriester is zelfs dat niet toegestaan. Iemand die een lichamelijk gebrek heeft, is ook niet toegestaan als priester op te treden. Je zou dit kunnen opvatten als een onrechtvaardige situatie. Je kunt er immers niets aan doen dat je met een lichamelijk gebrek geboren bent. Het is echter belangrijk om hier anders tegen aan te kijken.

De dienst in het Heiligdom is niet een handeling waarbij de persoon die het doet de aandacht moet krijgen. Integendeel. Alle aandacht moet gericht zijn op de Eeuwige Zelf. Hij is heilig, en daarom wil Hij ook dat daar waar Hij in het midden van Zijn volk aanwezig is, zoveel mogelijk een situatie is waar Zijn volmaaktheid zichtbaar is. Het is de plaats waar wij als mens naar de Eeuwige toe komen om gereinigd te worden van onze onreinheid. Bij G’d is er geen plaats voor onze onreinheid.

We moeten bij Hem ook niet aankomen met dat wat ons goed uitkomt. Offers die gebracht worden, moeten perfect zijn en aan de hoogste maatstaven voldoen. We moeten goed doordrongen zijn van het feit dat de Eeuwige een heilige G’d is, die met onze onheilige daden niets te maken kan en wil hebben. Hij heeft ons wel de mogelijkheid gegeven om weer met Hem in het reine te komen, maar daaraan zijn wel kosten verbonden. Overtreden van de Tora is niet iets waar je makkelijk overheen kunt stappen. Ieder jaar opnieuw gaan we door de cyclus van de Hoogtijden van de Eeuwige heen. Hijzelf heeft deze belangrijke momenten ingesteld.

Je vraagt je af waar iemand de euvele moed vandaan gehaald heeft om te pretenderen het beter te weten dan G’d zelf. Wekelijks mogen we op de Sjabbat rusten van ons werk. Ieder jaar mogen we op Pesach onze persoonlijke bevrijding uit de slavernij in Egypte herdenken. Op Sjawoe’ot, het Wekenfeest, verblijden wij er ons over dat de Eeuwige ons de Tora heeft gegeven. Op Rosj Hasjana staat de Eeuwige in het middelpunt als onze koning. Tien dagen later staat zeer nadrukkelijk de verzoening die wij allen nodig hebben centraal, op Grote Verzoendag. Werk doen is dan absoluut verboden. Dat wordt zeer nadrukkelijk en herhaaldelijk duidelijk gemaakt. We mogen deze jaarlijkse rij van feesten afsluiten met Soekot, het Loofhuttenfeest. De Eeuwige leidt ons door de woestijn van ons leven.

Sjabbat sjalom,
Lion S. Erwteman,
Rosj Kehilla van Beth Yeshua, Amsterdam