Kie Tawo

De Kinderen van Israël krijgen een opdracht. “1 Straks zullen jullie het land binnengaan dat de Eeuwige, jullie G’d, als grondgebied aan jullie zal geven. Jullie moeten het in bezit nemen en er gaan wonen. 2 Jullie zullen er de oogst kunnen binnenhalen. Als jullie daarvan dan het eerste en beste deel in een mand meenemen naar de plaats die de Eeuwige, jullie G’d, zal uitkiezen om er Zijn naam te laten wonen…” (Deuteronomium 26:1-2).

Deze parsje omvat ook de wetten van de tienden aan de Levieten en aan de armen, en een gedetailleerde instructie over de zegen en de vloek op de berg Geriziem en de berg Ebal, zie ook de parsje Re’ee van 7 augustus 2010. Mozes herinnert het volk eraan dat zij het uitverkoren volk van G’d zijn, en dat zij op hun beurt, ook hebben gekozen voor de Eeuwige als enig G’d.

Het laatste deel van de parsje Kie tawo bestaat uit de Tochacha (‘bestraf’). Na een opsomming van de zegeningen waarmee de Eeuwige de Kinderen van Israël zal belonen wanneer zij de Tora volgen, geeft Mozes een lange, stevige lijst met de slechte dingen – ziekte, hongersnood, armoede en ballingschap – waarmee de Kinderen van Israël geconfronteerd zullen worden als ze afzien van de voorschriften van de Eeuwige.

Toen de Kinderen van Israël bezit namen van het beloofde land werd hen aan het begin van Kie Tawo verteld dat ze hun eerste vruchten in een mand naar de plaats moesten brengen waar G’d zou verkiezen te verblijven. Na het bespreken van de verplichtingen rondom de eerste vruchten en tienden, worden de Kinderen van Israël aangemoedigd om in het licht van de Tora te blijven wandelen vanwege hun status als het volk van de Eeuwige. “18 Vandaag heeft de Eeuwige jullie verzekerd dat jullie, zoals Hij heeft beloofd aan jullie, Zijn volk zullen zijn, Zijn kostbaar bezit. Jullie moeten al Zijn geboden naleven. 19 Hij zal jullie hoog verheffen boven alle volken die Hij geschapen heeft. Jullie zullen lof oogsten en met roem overladen worden. Jullie zullen het volk zijn dat aan de Eeuwige, jullie G’d, is gewijd, zoals Hij heeft beloofd” (Deuteronomium 26:18-19).

Het erkennen van de Eeuwige als enig G´d en het grootmaken van Zijn Naam is ook datgene wat we elke Sjabbat samen reciteren met Alenoe:
Wij moeten de Eeuwige van het al prijzen, de grootheid van de Schepper van het oerbegin erkennen, Die ons niet als de volken van andere landen gemaakt heeft, ons niet met de andere geslachten op aarde gelijkgesteld heeft, ons deel niet als het hunne, ons lot niet als van het gros van hen. Wij knielen, buigen en werpen ons aanbiddend neer en danken de Koning aller koningen, de Heilige Die geprezen is. Ook is er gezegd: de Eeuwige zal Koning zijn over heel de aarde; op die dag is de Eeuwige EEN en Zijn Naam is EEN.