Nitsaviem-Wajelech; sliechot

Sliechot

De G’d van Israël weet als geen ander genade en recht samen te laten komen. Zou er alleen maar genade zijn, zoals we van veel kerkpredikers horen, dan zou de Eeuwige het niet waard zijn om G’d genoemd te worden. Zijn Woord zou ontkracht zijn. Zou Hij alleen recht spreken, dan zou niemand kunnen bestaan. Dit zou voldoende moeten zijn om mensen ervan te overtuigen dat er genade bestaat in het Hebreeuwse deel van de Bijbel, de Tenach. Op zijn laatste levensdag beseft Mosjee hoe belangrijk het is dat het verbond tussen de Eeuwige en Israël bevestigd wordt. En het is G’ds genade die dat ook mogelijk maakt. Want er is al veel misgegaan in die korte tijd.

Ooit zouden de profeten Jirmejahoe/Jeremia en Jechezkel/Ezechiël aankondigen dat dit verbond vernieuwd zou worden. Ook die aankondigingen getuigen van G’ds genade. Dat lichamelijke en hartsbesnijdenis samengaan en dat de ene niet de andere vervangt, kunnen we duidelijk lezen in 30:6, waar HaSjem de belofte doet om de harten van lichamelijk al besneden Israël te besnijden. De enige vervanging die in de Bijbel gepropageerd wordt, is die van slecht door goed en van het oude karakter door het nieuwe. G’ds beloften zijn voor hen die niets vervangen van de Tora. Voor hen die naar Zijn stem luisteren “door zich aan Zijn geboden en inzettingen te houden, die in deze Sefer Tora geschreven staan; wanneer jullie je tot de Eeuwige, jullie G’d, bekeren met je hele hart en je hele ziel” (30:10).

In deze parasja lezen we de woorden die vrijwel letterlijk herhaald worden door Jochanan/Johannes: “Want dit gebod, dat ik jullie vandaag opdraag, is niet te moeilijk voor u…” (30:11). En: “Want dit is de liefde voor G’d, namelijk dat wij ons aan Zijn geboden houden. En Zijn geboden zijn niet moeilijk” (1 Johannes 5:3). De Tora is niet in de hemel of aan de overkant van de zee (30:12). Dit is een manier om te zeggen dat de Tora niet onaards en onpraktisch zou zijn en alleen over de toekomst zou spreken. Hij is van deze tijd. Aan de overkant van de zee wil zeggen dat de Tora niet ver van ons afstaat en niet onbereikbaar is, maar begrijpelijk, haalbaar en toepasbaar. En zó belangrijk dat het een zaak is van leven of dood, zegen of vloek, zie 30:19.

Deze week lezen we de zevende en laatste troosthaftara. G’ds troost heeft zich in deze zeven teksten van Jesaja tot een hoogtepunt gewerkt. De Eeuwige is onze verdediger: “Om Tsion (Sion) zal Ik niet zwijgen en om Jeroesjalajiem/Jeruzalem zal Ik niet stil zijn” (62:1). Hij neemt het voor ons op. Een schitterende kroon in de hand van de Eeuwige, een koninklijke haartooi in de hand van HaSjem, zo noemt Hij ons. Dat kan toch alleen maar worden gezegd door iemand die gek is op Zijn bruidje. Dit is de G’d van Israël. Hij weet als geen ander genade en recht samen te laten komen. Spoedig wordt Israël “de Verlosten van de Eeuwige” (62:12) genoemd. Hoog tijd om erbij te horen.

Lion S. Erwteman