Noach

Noach wandelde met HaSjem; hij was een rechtvaardige en oprechte man te midden van zijn generatie. Hij was de eerst vermelde tsaddiek (Genesis 6:9). Die status werd overigens afgemeten aan de omgeving waarin hij leefde. Dat zegt meer over HaSjem dan over Noach zelf, want hieruit blijkt dat HaSjem onze omstandigheden mee laat wegen in het beoordelen van ons doen en laten. Iets dat ook opgesloten zit in de uitspraak ‘van wie veel gegeven wordt, zal veel gevraagd worden’ (Lukas 12:47-48).

Vanaf Beresjiet 7:10 lezen we over het begin van de enorme watervloed die van boven én van onder de aarde losbarstte. Er bestaat een hydro-plaat-theorie waarin de dikke aardkorst op pilaren gegrondvest was (zie ook Iov/Job 9:6) en waaronder zich een enorme hoeveelheid water bevond. Vanwege de druk van die aardkorst op dat water moet dat water bij het instorten van die aardkorst in het begin van die wereldomvattende watervloed (waarbij niet alleen enorme bergen, rotsformaties maar ook diepe oceanen zijn ontstaan, doordat delen van die aardkorst als een wip aan de ene kant inzakten en aan de andere kant opstegen) met enorme kracht de hoogte in gespoten zijn (fonteinen, B’resjiet 7:10).

Dat water kwam uiteindelijk weer terug op de aarde, niet in vloeibare maar in vaste vorm, omdat het hoog in de atmosfeer tot grote ijsklonten was bevroren en in een mum van tijd de toenmalige flora en fauna invroor – een snelle ijstijd dus in tegenstelling tot de slome variant van de evolutietheorie. En zo kan het zijn dat men in onze tijd in nog steeds bevroren vlaktes onder meer volledig gaaf gebleven mammoeten vindt met gras tussen de kiezen. Zij waren overvallen door de ijsmassa’s en in enkele ogenblikken volledig ingevroren.

Het moet een onvoorstelbare rampspoed en beangstigend schouwspel geweest zijn: veertig dagen en nachten zware regenval en daarna bleef het water nog stijgen over een periode van nog eens honderdtien dagen door de enorme watermassa van onder de aarde; enorme fonteinen die hoger spoten dan ons oog reikt, alles verslindende modderstromen en gigantische aardverschuivingen. Er staat dat het water steeg tot bijna zeven meter boven de hoogste toppen van de bergen. Is dat ongeveer de diepgang van de ark? Te midden van al dat geweld wordt die ark, met daarin Noach, de zijnen en een hoop dieren, opgetild. Een voor onze ogen enorme schuit van ruim 137 meter lang, bijna 23 meter breed en bijna 18 meter hoog, maar in dat geweld slechts een notendop. Wat moet Noachs vertrouwen groot geweest zijn, of in elk geval groot geworden zijn door die gebeurtenis!

Die tsunami begon op de zeventiende dag van de tweede maand in 1656 – traditioneel wordt dat geplaatst op 17 Chesjwan – en duurde tot de zevenentwintigste dag van de tweede maand een jaar later, 27 Chesjwan. Zonder rekening te houden met een schrikkelmaand is dat precies 365 dagen: de lengte van één zonnejaar. In de tussentijd kwam de ark op 17 Niesan, Jom Habikoeriem, vast te zitten op de bergketen Ararat. Gelukkig heeft HaSjem beloofd dat dit nooit weer op zo’n grote schaal zou gebeuren – sommige films ten spijt – iets waarvan de regenboog het verbondsteken is!