Sjellach

Het moet een prachtig gezicht geweest zijn. Twaalf leiders van Israël met militaire escorte gaan op weg om het land van G’ds belofte eindelijk te kunnen inspecteren. De mannen met grote algemene kennis gaan kijken wat de situatie is in het land dat ingenomen gaat worden. Hoe staat het er bij in militair opzicht, hoe is de landbouw en veeteelt, hoe is de geografische indeling en wat is het demografische beeld, de opbouw van de bevolking, zie Numeri 13:18-20? Zo bezien is deze missie een belangrijke stap in het innemen van het Beloofde Land, een volgende fase in het proces van het claimen van wat de Eeuwige aan Israël heeft toegezegd. Maar gezien de reactie van tien van de twaalf leden van deze groep lijkt het erop dat de verkenners met een andere insteek aan deze opdracht zijn begonnen. Hun reactie was angst en paniek.

En gezien de latere reactie van Mozes in Deuteronomium 1 speelde er iets anders mee. In zijn laatste deel van de vijf komt Mozes immers op deze zaak terug en zegt, nadat hij zijn volk er aan herinnert dat de Eeuwige het land aan hen had gegeven, “Toen kwamen jullie allemaal naar mij toe en zeiden: Laten wij enkele mannen vooruit zenden om voor ons het land te verkennen, om ons in te lichten over de weg waarlangs wij moeten optrekken en over de steden die wij zullen bereiken.” (1:22). De manier waarop Mozes hieraan herinnert zegt iets over de houding waarmee dat gedaan werd. Hij zegt: “Toen kwamen jullie allemaal (koelchem) naar mij toe.” Normaal gesproken benaderen oudsten, leiders en rechters hun leraar Mozes. Maar die herinnert zijn volk eraan dat bij die gelegenheid iedereen ongeordend en zonder plichtplegingen op hem afkwam.

De vraag is dan of de Eeuwige uit eigen beweging tegen Mozes heeft gezegd: “Zend mannen uit om het land Knaän, dat Ik aan de Kinderen van Israël zal geven, te bespieden. Je moet steeds één man zenden als vertegenwoordiger van de stam van zijn vaders, iedereen een leider onder hen” (Numeri 13:2). Het kan goed zijn dat dit een strategische beslissing is geweest om dat wat er aan angst, ongeloof, gebrek aan vertrouwen en jaloersheid op het leiderschap van Mozes bestond openbaar te laten worden. En bovendien werd het zo mogelijk om het latere leiderschap van Jozua zichtbaar te maken. Het zou niet goed zijn om hier veroordelend op te reageren. In geestelijke gemeenschappen is het juist belangrijk om verborgen motieven aan het licht te laten komen.

Persoonlijk vind ik het een voorrecht om mensen die onzeker onze gemeente binnenkomen, te zien opgroeien tot zelfverzekerde gelovigen die hun veiligheid in de Eeuwige hebben weten te vinden. En zelfs mensen die ontsporen en hun ware aard op een bepaald moment tonen zijn zichzelf tegengekomen, waardoor ook zij verder kunnen met het ontmaskeren van hun motieven en met het zich ontwikkelen tot trouwe gelovigen. Dat Jozua later, als nationaal leider en legergeneraal, ook verkenners uitzendt laat zien dat dit op zich van Mozes geen verkeerde handeling is geweest die van ongeloof getuigde. Twee handelingen kunnen hetzelfde ogen, maar van elkaar verschillende beweegredenen hebben. Israël had geleerd dat het verkrijgen van het land niet berustte op eigen, op zich militaire inspanningen.