Tazria-Metsora

Leviticus 12 gaat over toema – onreinheid – in dit geval de rituele onreinheid van een vrouw na de geboorte van een zoon of een dochter. Ook lezen we in dit hoofdstuk hoe zij weer tahor – rein – kan worden met behulp van een offer en de inzet van de priester. Zoals in de afgelopen weken al meer aangehaald, is Yeshua volgens Jesaja 53 niet voor deze categorie ‘zonde’ gestorven en weer opgestaan. Het moet te denken geven waarom niet.

In de hoofdstukken 13 en 14 gaat het ook over toema/onreinheid, maar dan in de vorm van tsara-at  – melaatsheid (niet te verwarren met lepra) – van mensen en dingen en ook over de manieren om melaatse mensen of dingen weer tahor/rein te verklaren – als het om mensen of een huis gaat met behulp van een offer en de inzet van een priester. Het offer dat gebracht moet worden, bestaat uit cederhout, hysop, scharlaken rode wol en twee levende, reine vogels. Volgens 1 Koningen 5:13 Hebreeuws (4:33 Nederlands) is cederhout de eerstgenoemde boom en hysop de laatste.

In Numeri 24:6 wordt Israël door Bileam vergeleken met cederhout. Scharlaken is de rode kleurstof E120 (Jesjajahoe 1:18), dat onder meer gebruikt werd bij het maken van delen van het woestijnheiligdom. Het is ook een synoniem voor Israël (Jesjajahoe 41:14, het woord ‘wormpje’) en een heenwijzing naar het bloedige offer van de Messias (Psalm 22:7, in sommige Bijbels vers 6, het woordje ‘worm’). En bij het verbranden van de rode koe (Bamidbar 19) wordt ook cederhout, hysop en scharlaken wol toegevoegd.

In Wajikra 15:31 zien we het verband tussen de besproken onreinheden en het heiligdom: opdat de kinderen van Israël niet zouden sterven in een onreine staat doordat zij het heiligdom van HaSjem zouden verontreinigen. Door dit verband kunnen we misschien beter begrijpen waarom Yeshua niet voor deze categorie ‘zonde’ gestorven en opgestaan is, maar dat verband benadrukt tegelijkertijd onze persoonlijke verantwoordelijkheden, want Sjaoel zegt immers in 1 Korintiërs 3:16-17, 6:19 en 2 Korintiërs 6:16 dat we een Tempel zijn van HaSjem en dat Zijn Geest in ons woont – en ook die Tempel moeten we rein houden!

In de tekst van de Haftara zien we in vers 9 het principe ‘niet wachten tot de morgen’. Dat doet denken aan wat Sjaoel zegt in Efeziërs 4:26-27: “26 Wees boos, maar zondig niet (zie ook Psalm 4:4); daarom moet je met de oorzaak van je boosheid hebben afgehandeld voordat de zon ondergaat, 27 anders geef je onze Tegenstander ruimte om je in zijn greep te krijgen.” Dit hangt samen met Genesis 4:6-7, de termijn waarbinnen Kaïn moet handelen. Een belangrijk principe, dat ons kan helpen om onszelf te beschermen tegen de valkuilen van onze Tegenstander en ons zo kan helpen dichter bij HaSjem te blijven!

Sjabbat sjalom,
rabbijn Lion S. Erwteman, Rosj Kehila van Beth Yeshua,
Amsterdam