Wajakhel-Pekoedee

Wajakhel: Exodus 35:1-38:20 en: Pekoedee: Exodus 38:21-40:38
Speciale selectie: Sjabbat Para, Numeri 19:1-22; Ezechiël 36:16-38

De aanwijzingen voor de bouw van de Tempel zijn gegeven in de voorgaande hoofdstukken van Sjemot/Exodus. Alles wat de Eeuwige aan Israël opdraagt om te bouwen is ontleend aan bestaande zaken. Zo zijn Yeshua’s gelijkenissen dat ook, terwijl ze een beschrijving zijn van het Koninkrijk van de hemel. Er zijn tempels van afgoden gevonden met soortgelijke indelingen. Archeologen hebben altaren met overeenkomstige bouw gevonden. De behoefte die de Eeuwige in de mens heeft gelegd om Hem te eren, is geperverteerd bij mensen die liever andere goden wilden en willen eren.

Die behoefte om de Eeuwige te eren is al zo oud als Kaïn en Abel, waarvan Mosjee (Mozes) ons heeft laten weten dat zij zonder gedocumenteerd onderwijs op hun manier de Eeuwige geëerd hebben. Het geheim van het gebruiken van bestaande voorbeelden, ook bij de Tempelbouw, zoals we lezen in de Toraportie van deze week, is daarom niet in de eerste plaats het uiterlijk, maar het gebruik en het doel. Nu kon het Joodse volk Israël weten hoe ze de Eeuwige konden eren zonder afgodische gebruiken over te nemen. Ze wisten hoe het niet moest. En de overige volken konden een herkenbaar godsdienstig systeem zien, maar dan gewijd aan de enige G’d die aanbidding waard is.

Als Israël als volk de Eeuwige niet goed eerde, trok Hij Zich terug. Zijn Geest en aanwezigheid (Sjechiena) verlieten de Tempel. Net zo kan de Eeuwige een individu verlaten, en die zal dat doorgaans niet eens in de gaten hebben. Onze koning David vreesde daarvoor en hij treurde en smeekte om dat toch niet te hoeven meemaken: “Verstoot mij niet, weg van Uw gelaat, en neem Uw Heilige Geest niet van mij weg” (Tehilliem/Psalm 51:13).

Daarom waarschuwt Sjaoel (Paulus) voor dit afschuwelijke vertrek van G’ds Geest op twee plaatsen: “Bedroef G’ds heilige Geest niet…” (Efeziërs 4:30). En ook: “Doof de Geest niet uit” (1 Tessalonicenzen 5:19). Dit alles wijst erop dat we ons als gelovigen dienen te richten op het respecteren en eren van de Eeuwige en van mensen. De Tempel, hoe heilig die ook was en weer zal zijn, is het aardse middel dat de Eeuwige gebruikt om een mentsj van ons te maken, zoals we dat in het Jiddisch noemen.

We naderen de maand van Pesach en lezen daarom nog eens hoe de eerste Pesach werd gevierd in Egypte, door Joden en niet-Joden, zie Sjemot/Exodus 12:48-49. Om daardoor te beseffen dat de plaats van die eerste viering verkeerd was doordat we verbannen waren. We hadden de bevrijding en verlossing van de Eeuwige nodig. Geweldig dat Hij die wil geven. Neem ze van Hem aan. En laat ze niet halverwege los. Ons hart moet echt openstaan voor Zijn onderwijs en correctie, direct van Hem en via derden. Vandaar de mystieke aanwijzing in de Tempelbeschrijving van Ezechiël, dat de poort van de binnenste hof in de Tempel naar het oosten gericht moet zijn, de richting van onze oorsprong en onze toekomst, van G’ds aanwezigheid op aarde in de komende wereld.

Sjabbat sjalom,

Lion S. Erwteman, rosj kehilla van Beth Yeshua
Amsterdam