Wajisjlach

Esau heeft niet alleen zijn rechten van eerstgeborene verkocht voor een bord linzensoep, dat ongetwijfeld heerlijk zal hebben gesmaakt. Hij vergat gemakshalve ook dat hij daarvan de initiatiefnemer was geweest en nam het vervolgens zijn broer Jakob kwalijk dat die de zegen van vader Isaak van hem (Esau dus) had gestolen. Dit is een verschijnsel dat nog steeds bestaat: iemand doet iets verkeerds, ondergaat daar de gevolgen van en neemt dan de anderen het kwalijk dat die de keuze van de initiatiefnemer serieus hebben genomen. Er is dus een levensbedreigende ruzie tussen Jakob en Esau ontstaan. Jakob is terecht beducht. Licht en duisternis verdragen elkaar niet. Jakob organiseert allerlei cadeaus om zijn broer gunstig te stemmen.

Uiteindelijk wordt de ruzie bijgelegd, omdat Esau zijn hart opent. Of hij zijn grote fout ooit heeft ingezien, blijft de vraag, hoewel ik denk dat hij die nooit heeft ingezien. Ik word daarin bevestigd door de profeet Obadja: Het huis van Jakob zal het vuur zijn, het huis van Jozef de vlam en het huis van Esau de stoppels: zij zullen hen in brand steken en verteren, en van het huis van Esau zal niemand ontkomen; want de Eeuwige heeft het gezegd (Obad.1:18). En de profeet Maleachi zegt hierover: Toch heb Ik Jakob liefgehad, maar Esau heb Ik gehaat. Ik heb zijn bergen tot een woestenij gemaakt en zijn erfdeel aan de jakhalzen van de woestijn prijsgegeven (Mal.1:3). Wie aan Jakobs huis komt en tegen G’d kiest, met hem of haar loopt het niet goed af. Al is het zo dat die afloop volgens het tijdschema van de Eeuwige gaat en dus langer op zich kan laten wachten dan u denkt.

Hoewel er tussentijdse afrekeningen plaatsvinden, is het namelijk zo dat de uiteindelijke afloop plaatsvindt op de Dag van de Eeuwige, zie Obadja 1:15. Dat is niet en nooit de zondag, zoals steeds meer mensen beseffen; in dit geval is het ook niet de Sjabbat, zoals wel had gekund. Nee, hier gaat het om de Dag van het Oordeel, waarover ook Petrus weet mee te praten. Die dag zal komen zoals een dief dat doet in de nacht (2 Petr.3:10a, 1 Tess.5:2), namelijk onopgemerkt en onverwacht. Dan zullen Esau en andere Tempelschenders (term naar 1 Kor.3:17) hun loon ontvangen. En Petrus roept ons in 2 Petr.3:11,12,14 op om daarom juist nu ons goed te gedragen en godsvrucht te tonen in onze karakters. Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zullen er namelijk zijn (2 Petr.3:13) en die verdragen geen enkele wanklank. Geen gesjoemel, geen uitvluchten, geen vreemde dames in huwelijksvoltrekkingen, maar toewijding en trouw, respect en vriendschap. Er ligt een prachtige toekomst te wachten voor wie echt wil.