Sjemini

Wat ouders hun kinderen vanuit G’ds Woord voorhouden, moet natuurlijk overeenstemmen met hun gedrag. Kinderen onthouden zelfs beter wat hun ouders doen dan wat zij zeggen. In Leviticus 10 lezen we dat Nadav en Avihoe (Nadab en Abihu) gloeiende kooltjes in hun vuurpan deden. Waar hebben zij die vandaan gehaald? Mogelijk van het brandofferaltaar. Maar dat was hun als priesters niet toegestaan. Dit was aan de hogepriester opgedragen, zoals blijkt uit Leviticus 16:12, het hoofdstuk van de Grote Verzoendag. In elk geval is er sprake van ongehoorzaamheid aan G’ds bevel (vs. 1). Zij handelden naar hun eigen wil. Ze wilden de Eeuwige op hun eigen manier dienen, naar eigen keuze en niet naar wat Hij had gezegd.

Dit betekent een eerste stap op een weg die uitloopt op een zelfgemaakte godsdienst. Vandaar de uiterst felle reactie van G’ds kant. Het vuur, dat een teken was van Zijn genadige aanvaarding van de offers die in het vorige hoofdstuk werden gebracht, Leviticus 9:24, wordt hier een uiting van Zijn vernietigende toorn (vs. 2). Door hun handel en wandel hadden Nadav en Avihoe zich moeten gedragen als voorbeelden van de kudde. Dat waren ze niet geweest. Als leiders hadden zij een bijzondere verantwoordelijkheid voor de Eeuwige.

Een priester die een zondeoffer voor het hele volk bracht, moest het vlees van het dier eten en de rest verbranden (Leviticus 4:13-21, 6:24-26). In Leviticus 10:16-18 is Mozes boos omdat twee andere zonen van Aharon (Aaron), Eleazar en Itamar, het zondeoffer helemaal verbrand, maar er niets van gegeten hadden. Ook zij hadden dus niet gedaan wat de Eeuwige had gezegd. Toch treft G’ds toorn hen niet. Is dat niet meten met twee maten? Maar Aharon maakt duidelijk dat Eleazar en Itamar de Eeuwige niet ongehoorzaam wilden zijn. Zij waren gewoon bang en uit hun doen door wat met hun broers gebeurd was (vs. 19,20). G’d let op de gezindheid van ons hart.

Leviticus 10:8-11 laat zien dat het priesterambt zelftucht, orde en discipline vergt en goed luisteren naar wat de Eeuwige zegt, om dat aan anderen door te geven. In Leviticus 20:24-26 zegt de Eeuwige tegen de Israëlieten dat Hij hen van de andere, heidense volken heeft onderscheiden om Hem toe te behoren. Daarom moeten ze onderscheid maken tussen reine en onreine dieren (Leviticus 11, Deuteronomium 14:3-21). Paulus schrijft in 2 Korintiërs 6:14: Vorm geen ongelijk span met de ongelovigen. Wat heeft gerechtigheid te maken met wetteloosheid? Wat heeft licht uit te staan met duisternis?