Wa’era

De Egyptenaren vereerden de rivier de Nijl als een godheid. Ook de kikkers speelden in hun religie een grote rol. Men meende dat deze dieren vanzelf ontstonden. Daarom dienden ze als symbool van het oorspronkelijke leven en werden de mannelijke goden wel afgebeeld met de kop van een kikker. Met de eerste twee plagen (Exodus 7:14‑8:15) laat de Eeuwige heel duidelijk merken dat de Nijl en de kikkers in Zijn hand zijn als zachte klei. Hij kan ze maken en breken. Hij speelt met ze zoals een kat met een muis, geheel in Egyptische stijl.

Niet alleen de farao, maar ook heel zijn volk moet onder ogen zien dat de Eeuwige, de G’d van Israël en van de hele aarde, speelt met wat hun dierbaar is. In de sauna van het huis van de rijken en in de waterkruik van de armen kleurt het water rood als bloed. Het is niet meer te drinken. En in plaats van een reinigende werking te hebben, kleurt het water alle kleding rood. Zeven dagen lang moet men met lede ogen aanzien dat de levensbron van Egypte is aangetast (Exodus 7:25). De god die leven schenkt, bloedt dood. De Egyptenaren worden tegen wil en dank bepaald bij de G’d achter de levengevende bronnen van het land: de Eeuwige, de G’d van Israël en van de hele aarde. Hij is Heer. Hij schenkt alle leven.

In Exodus 4:21 had de Eeuwige tegen Mosjee gezegd dat Hij het hart van de farao zou verharden. Dat kan dus. Maar daar begint het niet mee. Het begint er altijd mee dat iemand zichzelf verhardt. Dat is ook het geval bij de farao. Vaak had hij zichzelf al verhard. In Exodus 9:12 lezen we dat de Eeuwige het hart van de farao verhardde. Bij de zesde plaag overschrijdt de koning van Egypte de grens tussen niet willen luisteren en niet meer kunnen luisteren. Van nu af kan hij niet meer omkeren. Tot de zesde plaag was dat nog mogelijk. Hoe belangrijk is het om tesjoewa, bekering, niet uit te stellen!

De Eeuwige had gezegd dat de zevende plaag, hagel, alleen dieren en mensen zou treffen die buitenshuis zijn. We zien dan dat zich binnen de kring van de dienaren van de farao een scheiding voltrekt. Er zijn er die al zoveel ontzag voor de G’d van Israel gekregen hebben dat ze inderdaad hun vee en hun knechten in huis halen. Die dieren en mensen blijven dan ook in leven. Maar er zijn er ook die zich niets aantrekken van wat Adonai gezegd heeft. Zij worden voluit getroffen door het oordeel. Voor hen is er geen ontkomen (Exodus 9:20,21,25).

Bij het zien van deze plaag belijdt de farao schuld en wil hij de kinderen van Israel laten gaan (Exodus 9:27,28). Maar onmiddellijk na de plaag trekt hij zijn woorden weer in (Exodus 9:34,35). Hij wilde met zijn schuldbelijdenis alleen maar onder de plaag uit komen. We zien hier dat naar de Eeuwige luisteren en doen wat Hij wil, goed voor ons is. Goed voor onze gezondheid, voor ons welzijn. Maar in de wind slaan van wat Hasjem gezegd heeft, is slecht voor ons. Dan gaan we onze ondergang tegemoet. In Jesaja 66 zegt de Eeuwige dat er eeuwige heerlijkheid is voor degenen die Hem wilden dienen, maar eeuwig verderf voor degenen die tegen Hem in opstand kwamen en daarin volhardden.