Wajera

De Eeuwige heeft er een zaak van gemaakt om met een bepaalde frequentie op aarde te komen. Alleen al om de mensen die menen dat Hij te druk zou zijn met belangrijkere zaken, om tijd aan ons te kunnen besteden en Zich over ons te bekommeren. Maar ook om ons eraan te laten wennen dat Hij zo als Messias, de gezondene, de dienaar, de ‘zoon’, bij ons zou komen. Een van deze bezoeken zien we gebeuren aan het begin van deze Toraportie. Awram (Abram), inmiddels Awraham (Abraham) genoemd (zie B’resjiet/Genesis 17:5), heeft net zichzelf en zijn zoon Jisjma’el (Ismaël) besneden. Allen van zijn huis, degenen die zich kinderen van Awraham mochten noemen, zouden dat voortaan gaan doen. De lichte chirurgische ingreep heeft een best vertragende uitwerking op deze zo belangrijke leider en welgestelde man. Hij kan het zich veroorloven om op het heetst van de dag, rond een uur of drie, bij de ingang van zijn tent te zitten en bediend te worden.

Vanuit een relatief comfortabel bestaan had deze man zijn cultuur en godsdienstige achtergrond verlaten, zijn volk en zijn vrienden achter zich gelaten, om naar een nieuw land te gaan. Mensen die ervan hoorden dachten dat hij een economische vluchteling was, die asiel zou gaan zoeken in een beter oord. Anderen zullen gemeend hebben dat hij ruzie had gehad met zijn familie, want wie neemt er nu zo’n radicale beslissing. Maar Awraham werd geleid door zijn G’d. Hij geloofde in die Ene, die Zich aan hem had geopenbaard. En die Ene had hem opgedragen zich te besnijden. En dat voortaan te doen met elk jongetje van acht dagen oud.

En dan is er het zo belangrijke moment dat het plan van afstamming zich gaat voltrekken. Hoogstpersoonlijk komt de Eeuwige naar Awraham toe en laat hem weten dat hij een zoon gaat krijgen. Meer niet. Natuurlijk werkt de middenoosterse gastvrijheid op volle toeren. Alles wordt uit de kast gehaald om de Eeuwige en Zijn twee reisgezellen te eten te geven. Zij hebben nog meer te doen, na dit bezoek. Na de oorlog tussen wat we nu ‘warlords’ zouden noemen, in hoofdstuk 14:1-17, gaat de Eeuwige het gebied van Siddiem vernietigen, vanwege dat zij het niet aan Hem overlaten om zich van voren en van achteren te laten omgeven (zie Tehilliem/Psalm 139:5). Alleen een meer met zout water zal ervan overblijven, wat in het Nederlands de Dode Zee wordt genoemd. En Awraham ontdekt steeds en meer en steeds duidelijker hoe belangrijk het is om uit je werken te laten zien dat je die Ene, de Eeuwige, wilt dienen en Hem liefhebben. G’d waakt over de mensen die Hem liefhebben en Hij vernietigt hen die zich slecht gedragen (zin uit het Sjemone Esree-gebed en Tehilliem/Psalm 145:20). Soms zelfs al in dit leven.

Meer dan de meesten van ons, maar niet altijd wist Awraham zijn G’d te begrijpen. Toen hem een zoon beloofd was, meende hij toch eerst een zoon te moeten verwekken bij een hofdame, Hagar. En toen hij zijn zoon moest opdragen op de berg waar later de Tempel gebouwd zou worden, Moria, meende hij dat hij zijn zoon moest offeren, daartoe geïnspireerd door de volken rondom. Wat hij ermee uitbeeldde was, zonder dat hij het wellicht besefte, het enige toegestane mensenoffer, namelijk dat van Yeshua. Een ‘wegleiden om op te gaan’ werd uitgelegd als een brandoffer. Maar hij toonde wel zijn volkomen overgave aan zijn hemelse Schepper, zie 22:12. En zo blijkt in dit alles Awraham de oprichter van het geloof in de Ene G’d van Jisra’el (Israël).