Onderwerpen:
Onderwerpen:
Lezingen voor Wajigash
Tora : Beresjiet (Genesis) 44:18-21
18 Toen trad Juda op hem toe en zei: Och, mijn heer, laat uw dienaar toch een woord ten aanhoren van mijn heer mogen spreken, en ontsteek niet in woede tegen uw dienaar, want u bent als de farao.
19 Mijn heer heeft aan zijn dienaren gevraagd: Hebt u nog een vader of een broer?
20 Toen hebben wij tegen mijn heer gezegd: Wij hebben een oude vader, en die heeft een kind van zijn ouderdom, de jongste. Zijn broer is dood, en hij is als enig kind van zijn moeder overgebleven, en zijn vader heeft hem lief.
21 Toen hebt u tegen uw dienaren gezegd: Breng hem naar mij toe, zodat ik mijn oog op hem kan slaan.
Haftara : Yechezkel (Ezekiel) 37:15-18
15 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij:
16 En u, mensenkind, neem een stuk hout voor uzelf en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de Israëlieten, zijn metgezellen.
17 Breng ze dan bij elkaar, het ene bij het andere, tot één stuk hout, zodat ze in uw hand één worden.
18 Als dan uw volksgenoten tegen u zeggen: Wilt u ons niet vertellen wat deze dingen voor u betekenen?
Beriet Chadasja : Markus 7:32-37
32 En ze brachten een dove bij Hem, die moeilijk sprak, en smeekten Hem dat Hij de hand op hem legde.
33 En na hem uit de menigte apart genomen te hebben, stak Hij Zijn vingers in zijn oren.
34 En terwijl Hij opkeek naar de hemel, zuchtte Hij en zei Hij: Effatha! dat is: Word geopend!
35 En meteen werden zijn oren geopend en de band van zijn tong werd los.
36 En Hij gebood hun dat zij het tegen niemand zouden zeggen.
37 En zij stonden bovenmate versteld en zeiden: Hij heeft alles goedgemaakt.
Lion Erwteman over Wajigash
Juda heeft zijn vader beloofd om borg te zijn voor Benjamin (Genesis 44:32). Bij de onderkoning van Egypte biedt hij aan diens plaats in te nemen en slaaf in Egypte te worden (vs. 33-34). Zijn houding heeft wat in zich van de liefde van de Messias, Yeshua. Yeshua ging in onze plaats staan en droeg onze schuld. Juda stelt een ruil voor aan Jozef: dat hij en Benjamin van plaats wisselen. Benjamin wordt weer vrij man en hij wordt slaaf. Iets dergelijks gebeurde ook met Yeshua. Hij was vrij van zonde, maar betaalde onze schuld met Zijn leven.
Hij ging op die plaats staan waar G’d met de zonde zou afrekenen op aards niveau: De Schedelberg (Golgáta in het Aramees). Zoals Juda voorstelde om zelf slaaf te worden, zo liet Yeshua toe de verantwoordelijkheid van onze overtredingen op zich nam. Yeshua is afkomstig vanuit de hemelse wereld en kent daar niet het van nature zondaar zijn. Maar G’d in de hemel had Hem een lichaam gegeven dat zwakten kende (zie Jesaja 53:5-6; en ook 2 Korinte 5:21).
Zo heeft Yeshua ons, die van nature slaven van de zonde zijn, bevrijd en ons teruggebracht bij de Eeuwige. Jozef gaf zijn broers een harde les. Ze hadden niet echt geld gestolen en Benjamin had niet echt die beker ontvreemd. Onze verlorenheid en hopeloze toestand zijn ernstig en serieus. Zo was het slechte gedrag van de broers van Jozef net zo serieus.
In Genesis 45:24 zegt Jozef tegen zijn broers dat ze onderweg geen ruzie moeten maken. Waarom zegt hij dat? Alle verhoudingen zijn hersteld, maar ze zullen hun vader wel moeten vertellen dat zij Jozef als slaaf verkocht hebben. Plus dat ze hem welbewust in de waan gebracht hebben dat Jozef dood was. Je fouten belijden is een absolute voorwaarde om schoon schip te maken. Misschien zou een van de broers onderweg nog willen proberen iets te verzinnen om die pijnlijke erkenning te vermijden. En dat zou dan gemakkelijk aanleiding kunnen geven tot ruzie. Alleen volkomen eerlijkheid geeft vrede.
Op de vraag van farao hoe oud hij is, antwoordt Jakob: “Het aantal van de jaren van mijn vreemdelingschap is honderddertig jaar” (Genesis 47:9). Het woord ‘vreemdelingschap’ was de basis van het uitgekiende plan van Jozef voor zijn familie. Zijn broers zijn schaapherders en kunnen daarom het beste in de vruchtbare landstreek Gosen gaan wonen. Daardoor zijn ze meteen ook apart gezet. De Eeuwige wil niet dat ze integreren in de Egyptische samenleving.
Bij de ontvangst door farao zeggen Jozefs broers, in Genesis 47:4, “Wij zijn gekomen om als vreemdeling in dit land te wonen, want er is geen weidegrond meer voor het kleinvee dat aan uw dienaren toebehoort, omdat de honger zwaar is in het land Kanaän. Laat uw dienaren alstublieft in de landstreek Gosen wonen.” En ook in Jakobs antwoord speelt het woord ‘vreemdelingschap’ een belangrijke rol. Hij weet dat hij niet in Kanaän en niet in Egypte een blijvende stad heeft. Dat weerhield hem om te comfortabel te worden. Goede les in ons leven.
Sjabbat sjalom,
Lion Erwteman, rosj kehilla van Beth Yeshua
Amsterdam













